Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
07-148 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. Beschikking over bankrekening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/148 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2006, 06/960 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008. Voor appellante is verschenen mr. Ramdas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. van der Heijden-Wijnen, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving sedert 20 augustus 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij brief van 20 juli 2005 is appellante verzocht uiterlijk op 26 augustus 2005 bewijsstukken over te leggen met betrekking tot de rekening [rekeningnummer] bij de Fortis Bank. Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft het College het recht op bijstand van appellante opgeschort met ingang van 1 september 2005. Daarbij is aangegeven dat zij zich uiterlijk op 5 september 2005 dient te melden bij haar klantmanager en dat anders de bijstand wordt ingetrokken. Bij besluit van 14 september 2005 is de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 26 augustus 2005 op de grond dat zij beschikt over een vermogen (in de vorm van een banktegoed) boven de vrijlatingsgrens. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum is de bijstand over de periode van 20 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2005 herzien en zijn de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 6.269,80 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 14 februari 2006 zijn de tegen de besluiten van 14 september 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 14 februari 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het College zich ter zitting nader op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting door appellante het recht op bijstand niet is vast te stellen.

In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 31 van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In artikel 34 van de WWB is neergelegd wat onder vermogen wordt verstaan, welke vermogensbestanddelen - die bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezig zijn dan wel tijdens de bijstandsverlening worden ontvangen - als vermogen in aanmerking worden genomen en wat de toepasselijke vermogensgrens is.

Vaststaat dat appellante ten tijde in geding (mede)houder was van de rekening bij de Fortis Bank onder nr. [rekeningnummer] en dat het saldo daarvan gedurende de gehele in geding zijnde periode (van 20 augustus 2004 tot en met 14 september 2005) de voor appellante geldende vermogensgrens overschreed. Naar vaste rechtspraak van de Raad is in een geval waarin een bankrekening op naam van een bijstandontvanger een tegoed bevat de vooronderstelling gerechtvaardigd dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover deze de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat zij door het College voldoende in de gelegenheid is gesteld de tenaamstelling te wijzigen. Voorts onderstrepen de transacties in juli 2005 dat appellante wel degelijk beschikkingsbevoegd was. Nu de betreffende bedragen van in totaal € 14.000,--, volgens appellante, op 15 oktober 2005 aan haar oom [M.] in Suriname zijn overhandigd, moet worden geconcludeerd dat die bedragen ten tijde in geding ook na juli 2005 nog ter beschikking stonden van appellante. Uit de gedingstukken blijkt verder dat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen bij besluit van 5 augustus 2005 de aan appellante over de periode van 1 januari 2002 tot en met 13 november 2002 verleende bijstand tot een bedrag van € 12.025,74 van haar heeft teruggevorderd. Met deze schuld diende met het oog op de vermogenspositie van appellante vanaf 5 augustus 2005 rekening te worden gehouden.

Anders dan de rechtbank, in navolging van het College, heeft geoordeeld kan derhalve niet staande worden gehouden dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet is vast te stellen. Het College was immers reeds ten tijde van de toekenning van de bijstand bekend met de bovenvermelde bankrekening op naam van appellante zodat ter zake van een schending van de inlichtingenverplichting van appellante niet kan worden gesproken. Dat zij er niet in is geslaagd door het overleggen van bewijsstukken of anderszins aan te tonen dat zij niet kon beschikken over het tegoed op de op haar naam gestelde bankrekening is iets anders.

Gelet op het voorgaande was het College bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB tot intrekking van de bijstand over de periode van 20 augustus 2004 tot en met 5 augustus 2005. Vanaf die datum was er, rekening houdende met de schuld aan de gemeente Groningen, geen sprake meer van een vermogen boven de vrijlatingsgrens. De intrekking tot en met 4 augustus 2005 is in overeenstemming met de ter zake van intrekking door de Raad al eerder niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van de beleidsregels geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

Aangezien een besluit tot terugvordering ondeelbaar is en het genomen terugvorderingsbesluit (mede) ziet op de periode van 5 tot en met 31 augustus 2005 kan dit besluit niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het College zal ter zake een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Voor dit geding ten overvloede merkt de Raad nog op dat het beroep op de zogeheten zes-maanden jurisprudentie in dit geval niet opgaat. Weliswaar was het College reeds bij de toekenning van de bijstand in oktober 2004 op de hoogte van de op naam van appellante staande rekening bij de Fortis Bank, maar bij schrijven van de gemachtigde van 15 januari 2005 is nog betwist dat appellante over het tegoed kon beschikken.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 februari 2006 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking vanaf 5 augustus 2005 en de terugvordering over de periode van 20 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

NB