Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
07-278 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Door heffingskorting niet te melden, schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/278 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 1 december 2006, 06/644 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.E. van der Werf, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 29 april 2008. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt vanaf 8 januari 2002 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In het toekenningsbesluit van 6 februari 2002 heeft het College vermeld dat heffingskortingen op de uitkering in mindering worden gebracht. Appellante heeft, zonder daarvan melding te maken aan het College, over de jaren 2002 tot en met 2004 de alleenstaande ouderkorting ontvangen. Bij heronderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand is gebleken dat deze heffingskorting gedurende die jaren bij de berekening van de hoogte van de bijstand niet in aanmerking is genomen.

Bij besluit van 5 april 2005 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2005 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag € 4.029,96 van appellante teruggevorderd. Bij besluit 25 januari 2006 heeft het College het tegen het besluit van 5 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante over de hiervoor vermelde periode een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen en dat appellante, door de ontvangst van de heffingskorting niet te melden, haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College heeft daarbij aanleiding gezien de terugvordering te beperken tot het netto-bedrag van de verleende bijstand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 januari 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, waarbij zij in het bijzonder de terugvordering bestrijdt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank - en met de overwegingen waarop dat oordeel rust - dat appellante wist of kon weten dat zij de ontvangst van de heffingskorting aan het College moest doorgeven, en dat appellante - door dit na te laten - niet heeft voldaan aan haar wettelijke inlichtingenverplichting. Nu geen rekening is gehouden met de ontvangst van de heffingskorting gedurende de jaren 2002 tot en met 2004, is aan appellante over die jaren tot een te hoog bedrag bijstand verleend. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over die periode te herzien. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Daarmee is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de teveel verleende bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het terzake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleidsregels had moeten afwijken. In dit verband kan de Raad zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het standpunt van appellante dat geen rekening is gehouden met het gegeven dat zij van Vietnamese afkomst is en de Nederlandse taal nog onvoldoende machtig is, het College geen aanleiding behoefde te geven om van terugvordering af te zien.

Dat het College, zoals appellante nog heeft aangevoerd, appellante in het kader van (her)onderzoeken naar haar recht op bijstand niet ambtshalve heeft aangesproken op de (eventuele) ontvangst van de heffingskorting, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Dat neemt immers niet weg dat appellant de ontvangst van de korting zelf had moeten melden. De Raad stelt vervolgens vast dat het College wel heeft onderkend dat het op dit punt alerter had kunnen optreden en dat het daarin aanleiding heeft gezien te volstaan met terugvordering van het netto-bedrag van de verleende bijstand. De Raad kan het College volgen in zijn standpunt dat daarmee aan appellante voldoende is tegemoetgekomen.

Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter, en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA