Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
06-3728 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering eerdere beslissing te herzien. Geen nieuwe feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3728 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2006, 05/2186 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Dayala. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

Bij brief van 2 februari 2004 is namens appellant verzocht de mate van arbeidsongeschiktheid per 23 september 1991 te willen herzien.

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft het Uwv toekenning aan appellant van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat hij vanaf 4 mei 1991 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar de voor beroep vatbare beslissing van 6 november 1991.

Namens appellant heeft mr. dr. Dayala tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft mr. dr. Dayala gesteld dat het verzoek van 2 februari 2004 gericht was op herziening van die eerdere beslissing.

Bij besluit van 18 augustus 2005 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om terug te komen van het besluit van 6 november 1991 afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit op bezwaar van 18 augustus 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat het besluit van 6 november 1991 in rechte vaststaat. Bij dat besluit is appellant ingaande 4 mei 1991 (verdere) ziekengelduitkering geweigerd omdat appellant niet (langer) ongeschikt werd geacht voor zijn werk als schoonmaker bij werkgever [naam werkgever].. De rechtbank heeft gewezen op vaste jurisprudentie van de Raad ten aanzien van verzoeken om terug te komen van in rechte vaststaande besluiten.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de omstandigheid dat het Uwv na meer dan tien jaar niet meer beschikt over de van belang zijnde medische stukken, voor rekening en risico van appellant moet blijven. Uit het door appellant in geding gebrachte rapport van 10 oktober 2002 van prof. dr. J. de Jong van GGZ Buitenamstel, blijken geen nieuwe feiten of omstandigheden die ten tijde van het besluit van 6 november 1991 nog niet bekend waren. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat destijds beroep is aangetekend tegen het besluit van 6 november 1991 en dat appellant in die procedure een neurologisch onderzoek door een deskundige benoemd door de rechtbank heeft ondergaan. Uit het rapport van prof. De Jong blijkt dat die deskundige destijds heeft aangegeven dat appellant een depressieve indruk op hem maakte.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het Uwv in redelijkheid heeft kunnen besluiten niet terug te komen van het besluit van 6 november 1991.

De Raad overweegt als volgt.

Onder verwijzing naar het toetsingskader zoals dit door de rechtbank in de aangevallen uitspraak op juiste wijze is verwoord, oordeelt de Raad dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij wijst de Raad op zijn uitspraak van

5 januari 2000, 98/3758 ZW (aangehecht) waarbij de Raad geoordeeld heeft over het eerdere verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 6 november 1991. In die procedure werden bevindingen en conclusies in rapporten uit 1997 van prof. De Jong ook niet aangemerkt als nieuw feit en/of omstandigheid die bij de eerdere besluitvorming niet naar voren hadden kunnen worden gebracht.

Ook uit de eerst in hoger beroep uitgebrachte rapportage van 2 oktober 2006 van SERIN, de medische verklaring van 26 oktober 2007 van W. Lionarons, psychiater, of de rapportage medisch advies van 23 mei 2002 van de WRA-groep blijkt niet van een nieuw feit of omstandigheid als hierboven bedoeld. Bovendien heeft het Uwv daar ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen kennis van genomen.

Daarbij wijst de Raad nog op het verslag van de hoorzitting van 30 maart 2005 waarin door de gemachtigde van appellant wordt opgemerkt dat de destijds door de rechtbank geraadpleegde deskundige op de hoogte was van de psychische klachten van appellant, waaronder nachtmerries, concentratiestoornissen en PTSS.

Gelet op het voorgaande kan het hoger beroep niet slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

JL