Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
07-5483 CSV
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BK6918
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loon. Tarief voor anonieme werknemers. Corriectienota's en boetenota.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5483 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 september 2007, 06/4740 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 januari 2008 is het hoger beroep nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008. Daartoe ambtshalve opgeroepen is voor het Uwv verschenen mr. W. Zwanink. Appellante heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft de Belastingdienst Rijnmond op basis van een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD-ECD appellante naheffingsaanslagen opgelegd over de jaren 2000 en 2001. Het besluit vermeldt dat uit het onderzoek is gebleken dat appellante op basis van een vals of vervalst identiteitsbewijs of zonder loonbelastingverklaring werknemers in haar loonadministratie heeft opgenomen, hetgeen op grond van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 betekent dat het voorgeschreven tarief voor anonieme werknemers van toepassing is. Met betrekking tot de fiscale gevolgen van de gebreken in de personeelsdossiers vermeldt het besluit het volgende:

“Indien niet voldaan wordt aan de hiervoor besproken administratieve verplichtingen bij indiensttreding van personeel had dus de terzake van de aan hen gedane loonbetalingen de verschuldigde loonbelasting bepaald moeten worden op basis van het anoniementarief. Ingevolge artikel 31, lid 3, letter a van de Wet op de loonbelasting 1964 moet de aldus verschuldigde loonbelasting nageheven worden door middel van eindheffing aan de hand van het tabeltarief. Ingevolge artikel 31 lid 4 is het gebruteerde tabeltarief van toepassing dat geldt in het jaar van uitbetaling op basis van de volgende gronden: De loonbetalingen hebben onder omstandigheden plaatsgevonden die verhaal bij voorbaat uitsluiten. Van een groot aantal werknemers is namelijk geen geldig legitimatiebewijs aanwezig. In een aantal gevallen is er zelfs sprake van een vervalst legitimatiebewijs. Dit betekent dat de bij inhoudingsplichtige voorhanden zijnde personeelsgegevens van de werknemers vermoedelijk onjuist zijn. Het verhalen van na te heffen loonbelasting is hierdoor per definitie onmogelijk. Dit betekent dat de verschuldigde loonbelasting bepaald wordt aan de hand van het uitbetaalde nettoloon en dat deze dus altijd voor rekening komt van de inhoudingsplichtige.

Daar het door de vervalste en/of ontbrekende legitimatiebewijzen en/of loonbelastingverklaringen niet bekend is aan wie dit netto loon daadwerkelijk is uitbetaald, is niet vast te stellen of de aldus anonieme werknemer wel of niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. Daarom moet dus worden aangenomen dat de anonieme werknemer verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. De aldus verschuldigde loonbelasting wordt bepaald door het toepassen van het gebruteerde eindheffingstarief (met ziekenfondswet) op het uitbetaalde nettoloon.”

Naar aanleiding van de bevindingen van de Belastingdienst heeft een looninspecteur van het Uwv twee nadeelberekeningen opgesteld, vervat in rapporten van 14 juni 2005, en wel één met betrekking tot het aansluitnummer 026-146.813.80-01-01 (hierna: 01-01) van appellante en één met betrekking tot het aansluitnummer 026-146.813.80-01-03 (hierna: 01-03) van appellante. Met betrekking tot een derde aansluitnummer van appellante is een nadeelberekening achterwege gebleven. Uitgaande van het hogere bruto loon, zoals vastgesteld door de Belastingdienst zijn door de looninspecteur de premielonen over de jaren 2000 en 2001 gecorrigeerd. De rapporten maken er melding van dat een probleem bij het opstellen van de feitelijke correctie is dat appellante veelal onjuiste sofi-nummers bij het Uwv heeft opgegeven, waaraan derhalve onjuiste namen zijn gekoppeld.

Op basis van de rapporten van zijn looninspecteur heeft het Uwv bij besluiten van 21 september 2005 appellante vier correctienota’s doen toekomen over de jaren 2000 en 2001. Bij besluit van 8 december 2005 heeft het Uwv appellante voor nummer 01-01 over het premiejaar 2001 een boete opgelegd. Bij besluit van 12 december 2005 heeft het Uwv appellante voor nummer 01-03 een boete opgelegd over het premiejaar 2001.

Bij besluit van 29 december 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de correctienota’s ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 februari 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de boetenota’s in zoverre gegrond verklaard, dat de boetes worden verlaagd naar 1% van de alsnog verschuldigde premie met een maximum van € 454,--.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 september 2006 met beslissingen omtrent het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten de beroepen van appellante tegen de besluiten van 29 december 2005 en 17 februari 2006 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd.

Bij besluit van 21 november 2006 heeft het Uwv opnieuw, beslissende op de bezwaarschriften van appellante, de correctienota’s neerwaarts bijgesteld, de boete voor nummer 01-01 teruggebracht tot € 236,-- en de boete voor nummer 01-03 op nihil gesteld. Voorts heeft het Uwv onder afwijzing van het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding appellante een proceskostenvergoeding van € 644,-- toegekend.

Bij zijn besluit heeft het Uwv onder meer het volgende overwogen:

“ad: Correctienota`s

Uit hetgeen in de uitspraak is opgenomen op pagina 4, vanaf 2.4, volgt dat de door ons ingenomen standpunten - als gemotiveerd in de vernietigde beslissing op bezwaar van 29 december 2005 - om tot navordering van premies over te gaan door de rechtbank inhoudelijk en integraal worden onderschreven, maar dat geen juist premiebedrag over het jaar 2000 is vastgesteld omdat wij geen rekening hebben gehouden met de herziening van de Belastingdienst over dat jaar, alsmede dat wij ten onrechte over het premiejaar 2001 het anoniementarief op 60% hebben gesteld, nu dat percentage slechts 52 kon bedragen.

Slechts een opmerking is gemaakt met betrekking tot ons standpunt, inhoudende dat wij van mening zijn dat op basis van onderzoek en rapportage van de Belastingdienst door ons tot correctie van het premieplichtig loon en de vaststelling van premies mocht worden overgegaan, zonder dat wij zelf een onderzoek hebben ingesteld. In de betreffende overweging geeft de rechtbank aan dat de door ons gehanteerde werkwijze in beginsel aanvaarbaar is, mits er sprake is geweest van een voldoende zorgvuldig onderzoek. Wij zijn van mening dat ten aanzien van de geconstateerde feiten en omstandigheden het onderzoek door de Belastingdienst als voldoende zorgvuldig kan worden beschouwd. Hiertoe is geconcludeerd nu de herziening van de naheffing door de Belastingdienst niet is gerelateerd aan andere feiten of omstandigheden, maar het gevolg is van een nieuwe beoordeling van de tijdens het onderzoek aangetroffen bescheiden.

In aansluiting op het voorgaande verwijzen wij, ter voorkoming van herhaling van hetgeen eerder door ons op uw argumenten is overwogen, naar onze motivering in de vernietigde beslissing van 29 december 2005. Met inachtneming van de uitspraak wordt aan uw bezwaren tegemoet gekomen. Ten aanzien van het premiejaar 2000 hebben wij de vaststelling van de correctienota aangepast met inachtneming van de door de Belastingdienst gehanteerde gegevens die zij heeft aangehouden bij de herziening van de naheffing voor dat jaar.

Met betrekking tot het premiejaar 2001 heeft correctie plaatsgevonden met inachtneming van de gegevens van de Belastingdienst, welke ons bij brief van 20 oktober 2006 door uw gemachtigde werden overgelegd. Verder is bij deze aanpassing van de correctie over het premiejaar 2001 een anoniementarief van 52% aangehouden.”

Tegen het besluit van 21 november 2006 heeft appellante beroep ingesteld.

Hangende het beroep heeft het Uwv naar aanleiding van het beroepschrift en de daarbij overgelegde bijlagen een herberekening gemaakt en bij besluit van 30 maart 2007 de bedragen aan verschuldigde premies wederom neerwaarts bijgesteld. Voor zover deze herberekening van invloed is op de nog resterende boete zal hiermee nog rekening worden gehouden.

De rechtbank heeft het besluit van 30 maart 2007 aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen het besluit van 21 november 2001, het beroep van appellante tegen het besluit van 30 maart 2007 gegrond verklaard, voor zover dit betrekking heeft op het (ten onrechte niet) vaststellen van het bedrag van de boete over 2001 voor aansluitnummer 01-01 en de hoogte van de toegekende proceskosten in bezwaar, dit besluit in zoverre vernietigd, de proceskosten in bezwaar vastgesteld op € 966,--, het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag groot € 966,-- en bepaald dat het griffierecht dient te worden vergoed.

De rechtbank heeft appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen het besluit van 21 november 2007 omdat, gelet op het besluit van 30 maart 2007, zij bij een beoordeling daarvan geen belang meer heeft.

Met betrekking tot de (herziene) correctienota’s heeft de rechtbank overwogen dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de conclusies van het rapport van de Belastingdienst. Met het Uwv is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat voldoende is komen vast te staan dat appellante niet, niet juist of niet volledig aan de administratieve verplichtingen op grond van artikel 10 van de CSV heeft voldaan, met name waar het gaat om verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de identificatieplicht en de Wet op de loonbelasting 1964. Hierbij heeft de rechtbank opgemerkt dat de regeling bewaarplicht identiteitsdocumenten bedoeld is om de identiteit van de werknemer vast te stellen bij aanvang van de werkzaamheden. Indien bij controle blijkt dat er geen of geen volledig, dan wel geen geldig identificatiebewijs wordt aangetroffen, dan is die identiteit niet met zekerheid vast te stellen, ook niet achteraf.

Het gegeven dat het Uwv in navolging van de Belastingdienst tot aanpassingen is overgegaan, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het onderzoek door de Belastingdienst als onzorgvuldig moet worden aangemerkt.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste rechtspraak in het geval de werkgever de naheffing door de Belastingdienst niet bij de werknemers verhaalt, maar voor zijn rekening neemt, de loonbelasting die ten onrechte niet op het loon van de werknemers is ingehouden dient te worden aangemerkt als een voordeel uit dienstbetrekking waarover premies voor de sociale verzekeringswetten zijn verschuldigd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Belastingdienst naheffingsaanslagen voor 2000 en 2001 heeft opgelegd, zodat moet worden aangenomen dat over deze jaren sprake is geweest van een voordeel uit dienstbetrekking. De rechtbank is niet gebleken dat appellante daadwerkelijk actie heeft ondernomen om tot verhaal over te gaan, nog daargelaten de vraag of zich hier wellicht de situatie voordoet dat eiseres zich in een positie heeft geplaatst welke verhaal bij voorbaat onmogelijk heeft gemaakt.

Met betrekking tot een door appellante in geding gebrachte brief van de Belastingdienst van 26 april 2007, waarin is aangegeven dat niet wordt uitgesloten dat appellante tot verhaal kan overgaan bij werknemers waarvan de identiteit vast staat, heeft de rechtbank overwogen dat, nu het Uwv steeds de Belastingdienst is gevolgd, niet kan worden uitgesloten dat het Uwv tot aanpassing zal overgaan ingeval de Belastingdienst de naheffingsaanslagen alsnog verminderd. Dat deze situatie zich voordoet, dan wel binnen afzienbare tijd zal voordoen, is de rechtbank niet gebleken, zodat zij daaraan geen gevolgen kan verbinden.

Met betrekking tot het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel, heeft de rechtbank onder verwijzing naar ’s Raads uitspraak van 10 december 2003 (LJN: AO2030) overwogen dat het Uwv niet gehouden is tot het herhalen van een gemaakte fout.

Ingaande op de grieven van appellante die de kern van het geschil raken, overweegt de Raad het volgende.

De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat zij door de rechtbank ten onrechte in haar beroep tegen het besluit van 21 november 2006 niet-ontvankelijk is verklaard, te minder nu appellante in haar beroepschrift niet heeft aangegeven haar belang bij een beoordeling van dit besluit. De Raad voegt hieraan toe dat het besluit van 30 maart 2007 een wijziging inhoudt van het besluit van 21 november 2001 en het besluit van 30 maart 2007, gelijk de rechtbank heeft gedaan, beoordeeld dient te worden mede in het licht van de motivering van het besluit van 21 november 2006.

Voorts acht de Raad met de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat het Uwv de Belastingdienst niet zou mogen volgen. De gedingstukken geven genoegzaam aan welke gebreken er in de administratie van appellante zijn aangetroffen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het gegeven dat de Belastingdienst enkele malen de naheffingsaanslagen neerwaarts heeft bijgesteld, niet met zich brengt dat het onderzoek door de Belastingdienst als onzorgvuldig dient te worden aangemerkt.

Gegeven de hiervoor bedoelde gebreken had appellant bij de inhouding van de loonbelasting het anoniementarief moeten toepassen. Nu zij dit niet heeft gedaan hebben haar werknemers naar een te hoog bedrag een nettoloon ontvangen. Dit bedrag vormt naar vaste rechtspraak een voordeel uit dienstbetrekking. Anders dan appellante in haar in rubriek I vermelde brief van 21 januari 2008 onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 januari 2008 (LJN: BB5924) heeft gesteld, brengt een naheffingsaanslag bij wijze van eindheffing met als gevolg dat verhaal op de werknemers niet tot de mogelijkheden behoort, niet met zich dat geen voordeel uit dienstbetrekking is genoten in de zin van artikel 4 van de CSV. Ook bij een eindheffing blijft staan dat de werknemers naar een te hoog bedrag een nettoloon hebben ontvangen.

Anders dan door appellante heeft gesteld, is de Raad niet gebleken dat de correcties onjuist zijn berekend. Haar stelling dienaangaande heeft appellante niet, dan wel onvoldoende onderbouwd.

Met betrekking tot de stelling van appellante dat, voor zover er al een voordeel uit dienstbetrekking is genoten, zij dit voordeel zal verhalen op haar werknemers overweegt de Raad dat uit de gedingstukken, in het bijzonder de naheffingsaanslagen van 7 juni 2005, de brief van de Belastingdienst van 30 maart 2007 en de brief van appellante van 21 januari 2008, blijkt dat de naheffingen zijn opgelegd bij wijze van eindheffing. Zoals appellante zelf al in haar brief van 21 januari 2008 heeft aangegeven, sluit zulks verhaal uit. De Raad wijst hierbij ook nog op het arrest van de Hoge Raad van 24 september 2004 (LJN: AO4478).

De Raad voegt hier nog aan toe dat appellante niet heeft aangegeven op welke wijze zij meent tot verhaal te kunnen overgaan, in het bijzonder niet ten aanzien van die werknemers waarvan de identiteit niet op juiste wijze is vastgesteld. Ten aanzien van hen heeft te gelden dat de loonbetalingen zijn verricht onder omstandigheden die verhaal uitsluiten. Hier komt bij dat, zoals namens het Uwv ter zitting van de Raad is betoogd, het bij een uitzendbureau als dat van appellante veelal gaat om kortdurende dienstverbanden, na beëindiging waarvan de betrokken uitzendkrachten uit het zicht van het bureau geraken. Maar ook los hiervan, is niet gebleken dat appellante ook maar enige stap heeft gezet om tot verhaal over te gaan. Weliswaar heeft appellante de Belastingdienst diverse ordners doen toekomen waarin per werknemer de bij de controle geconstateerde gebreken zijn becommentarieerd, doch niet is gebleken dat appellante daarmee heeft beoogd een verzoek te doen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a en ten eerste, van de Wet op de loonbelasting 1964. Verder overweegt de Raad dat verhaal geschiedt wegens onverschuldigde betaling. Voor een hierop gebaseerde vordering geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Niet is gebleken dat appellante deze termijn, die ruimschoots is verstreken, heeft gestuit. De Raad houdt het er dan ook voor dat bij appellante de intentie tot verhaal van meet af aan heeft ontbroken.

Met betrekking tot het door appellante in hoger beroep herhaalde beroep op het gelijkheidsbeginsel volstaat de Raad met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak. Met hetgeen de rechtbank heeft overwogen kan de Raad zich verenigen.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd over de boete over 2001 voor 01-01 kan de Raad gegeven de vernietiging door de rechtbank van het besluit 30 maart 2007 op dit punt niet plaatsen. De Raad gaat hieraan dan ook voorbij.

Met betrekking tot de grief van appellante dat de rechtbank haar voor zowel de fase van bezwaar als de fase van beroep een integrale proceskostenvergoeding had moeten toekennen overweegt de Raad dat het uitgangspunt van het Besluit proceskosten bestuursrecht bij vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Besluit is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken.

De toelichting bij het besluit vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Besluit berekende vergoeding - zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.

Mede in het licht van deze toelichting acht de Raad geen bijzondere omstandigheden aanwezig. De door appellante gestelde complexiteit en omvang van de zaak zijn geen omstandigheden waarop artikel 2, derde lid, van het Besluit ziet.

Nu de overige gerieven van appellante niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel, komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

IJ