Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
06-5012 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besparingsbijdrage scootmobiel. Voor het opleggen van besparingsbijdrage bij het verstrekken van voorzieningen kan geen grondslag worden gevonden in de (gemeentelijke) Verordening.

Wetsverwijzingen
Wet voorzieningen gehandicapten
Wet voorzieningen gehandicapten 2
Wet voorzieningen gehandicapten 6
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 222
RSV 2008/230 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
USZ 2008/256 met annotatie van M.F. Vermaat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5012 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 juli 2006, 05/1042 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

[Betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft M.J.M. Gorter-Hogenbirk, werkzaam bij de Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie te Amersfoort, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Koopman, werkzaam bij de gemeente Hof van Twente. Voor betrokkene is verschenen M.J.G. Lammers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkene heeft op 23 februari 2005 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een scootmobiel.

1.3. Bij besluit van 30 maart 2005 heeft appellant de aanvraag van betrokkene toegewezen. Aan betrokkene is een voorziening in natura toegekend in de vorm van een scootmobiel. Daarbij is aan betrokkene met toepassing van artikel 5.3 van de Verordening Voorzieningen Gehandicapten gemeente Hof van Twente 2004 (hierna: de Verordening) een zogeheten besparingsbijdrage opgelegd van € 363,--.

2. Tegen het opleggen van de besparingsbijdrage heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 juli 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Appellante stelt zich op het standpunt dat met de verstrekking van een scootmobiel de aanschaf van een fiets wordt bespaard. De kosten van de aanschaf van een fiets zijn algemeen gebruikelijk en dienen volgens appellant als besparingsbijdrage in rekening te worden gebracht. Appellant baseert het opleggen van die bijdrage op artikel 1.2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening. Op grond van artikel 5.3, derde lid, van de Verordening en artikel 7, derde lid, van het Verstrekkingenbesluit Wvg gemeente Hof van Twente 2005 (hierna: Verstrekkingenbesluit) is de hoogte van de opgelegde besparingsbijdrage vastgesteld op € 363,--.

3.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 juli 2005 gegrond verklaard. Zij heeft dat besluit vernietigd en het besluit van 30 maart 2005 herroepen, voor zover daarbij een besparingsbijdrage is geheven. Voorts zijn bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Wvg het gemeentebestuur niet de bevoegdheid heeft gegeven om bij verordening te bepalen dat bij het toekennen van een voorziening een besparingsbijdrage wordt geheven.

3.2. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.1. De Raad komt op grond van het ten tijde van belang van toepassing zijnde recht tot de volgende beoordeling.

4.2. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van vervoersvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg daartoe bij verordening regels vaststelt.

4.2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wvg kan het gemeentebestuur bij verordening bepalen dat de gehandicapte, voor zover de voorziening niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage verschuldigd is. In het derde lid van dat artikel is bepaald dat Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels kan stellen met betrekking tot de eigen bijdragen.

4.2.2. Bedoelde ministeriële regeling is de Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG (hierna: de Regeling). In artikel 5, eerste en tweede lid, van de Regeling is bepaald dat een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wvg slechts verschuldigd is over het kalenderjaar waarin de voorziening wordt toegekend en voorts dat het totaal van de per kalenderjaar verschuldigde eigen bijdragen ten hoogste € 45,-- bedraagt.

4.2.3. In de gemeente Hof van Twente is aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg bedoelde regelingsopdracht voldaan door vaststelling van de Verordening.

4.2.4. Artikel 1.1 van de Verordening bepaalt (voor zover van belang):

“In deze verordening wordt verstaan onder: (…)

q. voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, bruikleen of in huur wordt verstrekt; (…)

r. eigen bijdrage: een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die eventueel bij de verstrekking van een voorziening in natura betaald moet worden en op welk bedrag de bepalingen van de Regeling inzake financiele tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg van toepassing zijn.”

4.2.5. Artikel 1.2 van de Verordening bepaalt (voor zover van belang):

“3. Geen voorziening wordt toegekend:

a. Indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is;”

4.2.6. Artikel 3.1 van de Verordening bepaalt (voor zover van belang):

“De door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit:

a. Een voorziening in natura in de vorm van: (…)

2. een open elektrische buitenwagen”.

4.2.7. Artikel 5.2 van de Verordening bepaalt (voor zover van belang):

“Burgemeester en wethouders stellen de hoogte van de eigen bijdrage voor voorzieningen in natura vast en nemen deze op in een Verstrekkingenbesluit Wvg overeenkomstig de “Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG”.”

4.2.8. Artikel 5.3 van de Verordening bepaalt (voor zover van belang):

“3. voor de vervoersvoorzieningen genoemd in artikel 3.1 onder b 2 en 3 die worden verstrekt in bruikleen wordt de prijs van een voor de persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijke voorziening, als besparingsbijdrage in aanmerking genomen.”

4.2.9. Aan de in artikel 5.2 van de Verordening bedoelde regelingsopdracht is voldaan door vaststelling van het Verstrekkingenbesluit.

4.2.10. Artikel 7 van het Verstrekkingenbesluit bepaalt (voor zover van belang):

“3. Bij verstrekking van een vervoersvoorziening in natura, in de vorm van een scootmobiel wordt een besparingsbijdrage geheven van € 363,--, zijnde de gemiddelde aanschafprijs van een fiets. (…)”

4.3. De Raad stelt vast dat appellant, naar ter zitting van de Raad is bevestigd, het heffen van de besparingsbijdrage niet baseert op artikel 6 van de Wvg, maar op de artikelen 1.2, derde lid, en 5.3, derde lid, van de Verordening.

4.4. Naar het oordeel van de Raad kan voor het opleggen van besparingsbijdrage bij het verstrekken van voorzieningen geen grondslag worden gevonden in artikel 1.2, derde lid, van de Verordening. Deze bepaling ziet immers uitsluitend op de vraag of een bepaalde voorziening als zodanig gebruikelijk is voor de persoon van de aanvragende gehandicapte, hetgeen niet kan worden gezegd van de aan betrokkene verstrekte scootmobiel. Voorts impliceert de omstandigheid dat het een gemeentebestuur vrijstaat om te bepalen dat voor gebruikmaking van het collectief vervoer een ritprijs verschuldigd is, op de grond dat een ieder kosten moet maken voor gebruik van middelen van (openbaar ) vervoer, niet dat van een gehandicapte bij de verstrekking van een scootmobiel, al dan niet op grond van bepalingen als artikel 1.2, derde lid, van de Verordening, een besparingsbijdrage kan worden geheven. De Raad wijst er op dat de ritprijs voor gebruikmaking van het collectief vervoer verschuldigd is aan de vervoerder en dat deze, mede gelet hierop, niet kan worden gelijkgesteld met een door het gemeentebestuur bij besluit opgelegde bijdrage voor dat vervoer. Al eerder heeft de Raad uitgemaakt dat het rittarief voor gebruikmaking van het collectief vervoer niet kan worden aangemerkt als een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6 van de Wvg (CRvB 31 oktober 1997, LJN ZB7346).

4.5.1. Naar het oordeel van de Raad kan voor het heffen van een besparingsbijdrage evenmin grond worden gevonden in artikel 5.3, derde lid, van de Verordening.

4.5.2. De Raad is van oordeel dat de gemeentebesturen voor het heffen van een financiële bijdrage bij het verstrekken van voorzieningen in natura uitsluitend grondslag kunnen vinden in het bepaalde bij en krachtens artikel 6 van de Wvg. De wet voorziet er niet in dat bij verordening kan worden bepaald dat door het gemeentebestuur in plaats van de in artikel 6 van de Wvg bedoelde bijdrage, dan wel naast deze bijdrage, een (besparings)bijdrage wordt geheven op de grond dat het toekennen van een voorziening tot gevolg heeft dat de kosten die een ieder voor vervoer moet maken door de gehandicapte worden uitgespaard.

4.5.3. De Raad stelt vast dat appellant, naar ter zitting van de Raad is bevestigd, het heffen van de besparingsbijdrage niet baseert op artikel 6 van de Wvg, omdat het gemeentebestuur ervan heeft afgezien op grond van dit artikel eigen bijdragen te heffen bij het verstrekken van voorzieningen in natura.

4.5.4. Voor het heffen van een andere (besparings)bijdrage voor het verstrekken van een voorziening in natura in plaats van een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6 van de Wvg biedt de Wvg evenwel, zoals hiervoor onder 4.5.2 is overwogen, geen grondslag. Voorts moet worden vastgesteld dat ingevolge artikel 5 van de Regeling ten hoogste € 45,-- aan eigen bijdragen per kalenderjaar verschuldigd kunnen zijn, zodat artikel 5.3, derde lid, van de Verordening, welk artikel het heffen van een hogere bijdrage mogelijk maakt, de Regeling in zoverre doorkruist. De Raad is daarom van oordeel dat artikel 5.3, derde lid, van de Verordening wegens strijd met de wet voor onverbindend moet worden gehouden.

4.5.5. Dit betekent dat appellant van betrokkene ten onrechte een besparingsbijdrage heeft geheven.

4.6. Uit de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen tot vergoeding van in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van in totaal € 644,--, te betalen door de gemeente Hof van Twente;

Bepaalt dat van de gemeente Hof van Twente een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.I. ’t Hooft en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Sharma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008.

(get.) R.M. van Male

(get.) S.R. Sharma

IJ