Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4156

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
07-4967 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of gegevens aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4967 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 13 juli 2007, onderwerp BZ 7657, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Appellante is daar in persoon verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1941, heeft in september 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Appellante heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in Rotterdam tijdens de Duitse bezet-ting. Zij heeft in dat verband gewezen op het vaak moeten schuilhouden in schuilkelders; zij herinnert zich razzia’s en dat er mensen bij hen in huis verborgen waren en voorts dat zij heeft moeten toekijken toen op een pleintje aan het einde van de Goede Hoopstraat voor een vuurpeloton een groep mensen werd gefusilleerd. Verder heeft zij bombarde-menten en ingestorte huizen gezien.

1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 28 mei 2004 op de grond dat onvoldoende bevestiging is verkregen van het getuige zijn van fusillades in de Goede Hoopstraat en omdat niet is komen vast te staan dat appellante direct betrokken is geweest bij bombardementen. Voorts is overwogen dat de meegemaakte huiszoekingen door de Duitsers niet tegen appellante gericht waren en niet gepaard gingen met excessief geweld. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

1.3. Een door appellante in december 2004 bij verweerster ingediend verzoek het onder 1.2 genoemde besluit te herzien, heeft verweerster afgewezen bij besluit van 18 februari 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 augustus 2005, op de grond dat er geen van belang zijnde nieuwe feiten of omstandigheden zijn vermeld die aanleiding geven het eerdere besluit te herzien. Het tegen het besluit van 25 augustus 2005 ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 31 augustus 2006, nummer 05/5646 WUBO, ongegrond verklaard. In dat verband heeft de Raad evenals verweerster overwogen - voor zover hier van belang en samengevat - dat uit de verkregen informatie van het Gemeentearchief Rotterdam en van het Nederlands Instituut voor Oorlogs-documentatie (NIOD) naar voren komt dat geen fusillade bekend is op de door appellante genoemde locatie. Voorts is overwogen dat de verklaringen van [naam getuige 1] en de broers [naam getuige 2] en [naam getuige 3] melding maken van verschillende locaties, waarmee niet aannemelijk is dat op de hoek van de Goede Hoopstraat een niet in de gegevens van het Gemeentearchief en het NIOD vastgelegde fusillade heeft plaatsgevonden en evenmin dat appellante getuige is geweest van de wel gedocumenteerde fusillades op de Pleinweg.

1.4. In november 2006 heeft appellante zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 26 januari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet.

1.5. In beroep is, kort samengevat, namens appellante aangevoerd dat appellante de locatie van de door haar geziene executies duidelijker dan voorheen heeft aangegeven en dat haar traumatische ervaring gekoppeld kan worden aan de wel gedocumenteerde locatie van executies. Voorts is naar voren gebracht dat verweerster ten onrechte de lichamelijke en nog meer de psychische gesteldheid van appellante niet in de afwegingen heeft meegenomen noch heeft onderzocht.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. De hier onder 1.4 genoemde aanvraag draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen, hiervoor onder 1.2 genoemde besluit betreffende de aanvraag van september 2003.

2.2. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dat brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

2.3. De Raad stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet volgt dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld als omschreven in dat artikel. Pas als zodanige betrokkenheid is vastgesteld, kunnen de medische gevolgen daarvan een rol spelen. Verweerster heeft dan ook bij onderhavige herziening terecht in de eerste plaats bezien of alsnog kan worden aangenomen dat appellante direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld in de zin van de Wet.

2.4. Bij een verzoek om herziening staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerster bij de besluitvorming over de eerste aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om het eerder genomen besluit te herzien. Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken.

2.5. De Raad stelt vast dat appellante bij haar herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald hetgeen zij reeds ter ondersteuning van haar eerdere aanvraag had aangevoerd. De wederom ingebrachte getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] waren al in het kader van het onder 1.3 genoemde verzoek om herziening door verweerster respectievelijk door de Raad in de uit dat verzoek voortvloeiende beroepsprocedure beoordeeld en meegewogen. Appellante heeft tijdens het onderzoek ter zitting van de Raad weliswaar op invoelbare wijze de door haar genoemde fusillades beschreven en aangegeven welke invloed deze fusillades op haar (psychische) gesteldheid hebben gehad, maar een objectieve bevestiging van het meemaken van fusillades is ook nu niet verkregen.

2.6. Voorts merkt de Raad nog op dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de eigen verklaring van een betrokkene, zonder dat er andere objectieve gegevens zijn die die verklaring ondersteunen, onvoldoende is om de door de aanvrager gestelde gebeur-tenissen als vaststaand te kunnen aanvaarden. De enkele omstandigheid dat een gebeurtenis past binnen de historische context acht de Raad daartoe onvoldoende, nu de wetgever beoogd heeft dat slechts individuele en directe betrokkenheid bij de in artikel 2, eerste lid, van de Wet bedoelde gebeurtenissen tot erkenning van burger-oorlogsslacht-offer kan leiden.

3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toets van de Raad kan doorstaan en dat het beroep van appellante ongegrond te dient te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD