Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4142

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
07-3934 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verantwoorde betalingen. Correctienota’s en boetenota’s. Privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3934 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 juni 2007, 06/3424 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.M. Adriaansen, van Adviesbureau Adriaansen te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Adriaansen, voornoemd. Het Uwv is met voorafgaand schriftelijk bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde in geding.

De onderneming van appellant houdt zich bezig met het verzorgen van financiële administraties, loonadministraties en het geven van fiscale adviezen. Uit een bij appellant in het najaar van 2004 gehouden boekencontrole is gebleken dat appellant betalingen heeft verricht aan [betrokkene] (hierna: betrokkene) die niet in de loonadministratie zijn verantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv bij besluiten van 2 februari 2006 over de jaren 2001 tot en met 2003 correctienota’s opgelegd en bij besluiten van 23 maart 2006 over de jaren 2002 en 2003 boetenota’s opgelegd. Aan die besluiten ligt ten grondslag dat betrokkene in de jaren 2001 tot en met 2003 voor appellant werkzaamheden heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het Uwv de namens appellant gemaakte bezwaren tegen voormelde nota’s ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank op grond van het geheel van feiten en omstandigheden geoordeeld dat gezien de ter zake geldende criteria, te weten het bestaan van een gezagsrelatie, van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en van een verplichting tot loonbetaling, betrokkene geacht kan worden werkzaam te zijn geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Appellant heeft in hoger beroep, onder handhaving van hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, de juistheid van de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden en daarbij benadrukt dat de feitelijke situatie waaronder betrokkene haar werkzaamheden heeft verricht niet geheel juist is weergegeven in het looncontrolerapport. Partijen hebben niet beoogd een arbeidsverhouding met elkaar aan te gaan en ook ontbreekt het aan bijvoorbeeld de opbouw van vakantiedagen, uitbetaling van vakantietoeslag, doorbetaling van loon bij ongeschiktheid tot werken en pensioendeelname en dergelijke. Appellant meent dat tussen hem en betrokkene sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht en dat het buiten deze specifieke opdracht om ontbrak aan de mogelijkheid tot het geven van aanwijzingen, of om gezag uit te oefenen.

De Raad overweegt het volgende.

Naar het oordeel van de Raad dient op grond van de feiten en omstandigheden in dit geval te worden geconcludeerd dat de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke dienstbetrekking en de verplichting tot loonbetaling aanwezig waren. Derhalve heeft het Uwv terecht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringen verzekeringsplicht met betrekking tot de door betrokkene verrichte werkzaamheden aangenomen.

Met betrekking tot de gezagsverhouding overweegt de Raad dat hiervan blijkens zijn jurisprudentie sprake is indien door de vermeende werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven. In een situatie als de onderhavige waarin de werkzaamheden van betrokkene, die te kenschetsen zijn als het inkloppen van gegevens voor het vervaardigen van loonstroken van klanten van appellant, welke werkzaamheden zijn ingebed in de bedrijfsvoering van appellant, is de Raad van oordeel dat het ontbreken van werkgeversgezag ten aanzien van betrokkene niet aannemelijk is. Daarbij speelt naar het oordeel van de Raad een rol dat onder verantwoordelijkheid van appellant en binnen een door hem geschapen organisatorisch kader de werkzaamheden werden verricht. De Raad merkt daarbij op dat bij appellant de gegevens die betrokkene nodig had ter vervaardiging van de loonstroken binnenkwamen en werden verzameld. Indien nodig werd daarop door appellant of één van zijn medewerkers een aantekening geplaatst ter verwerking. Na vervaardiging van de loonstroken werden deze door appellant aan zijn klanten verzonden.

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellant werkgeversgezag over betrokkene kon uitoefenen al heeft zich dat wellicht in de praktijk niet of nauwelijks voorgedaan en hebben appellant en betrokkene dat niet zo ervaren. Dat betrokkene haar werkzaamheden voor een groot deel thuis en met een grote mate van zelfstandigheid verrichtte, doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van appellant om betrokkene opdrachten en aanwijzingen te geven indien dat nodig was.

Met betrekking tot de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting overweegt de Raad dat betrokkene de werkzaamheden steeds persoonlijk heeft verricht en dat niet is gebleken dat zij zich heeft laten vervangen. De Raad tekent daarbij aan dat betrokkene specifiek was aangezocht in verband met haar kennis van de betreffende software ten behoeve van het vervaardigen van de loonstroken.

Voorts kan de Raad het door betrokkene gedeclareerde uurtarief niet anders beschouwen dan als contraprestatie voor het verrichten van arbeid.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat betrokkene voor appellant werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eventuele zelfstandigheid van betrokkene staat hieraan niet in de weg. Het hoger beroep van appellant kan derhalve niet slagen zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

OA