Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
07-4553 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Restitutie sociale verzekeringspremies. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4553 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 juni 2007, 06/2441 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ph.W.A.M. van Roy, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Ph.W.A.M. van Roy, voornoemd. Het Uwv heeft zich, zoals schriftelijk is bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, tot 12 mei 1999 van Canadese nationaliteit en vanaf die datum van Nederlandse nationaliteit, was van 11 november 1974 tot en met 30 maart 2000 in dienst van de in Engeland gevestigde werkgever [naam werkgever]. Appellant was gedurende deze periode woonachtig in Nederland.

Appellant heeft zich op 29 september 2003 tot het Uwv gewend met het verzoek de van 11 november 1974 tot en met 30 maart 2000 beweerdelijk door [naam werkgever] aan het Uwv afgedragen sociale verzekeringspremies aan hem te restitueren, omdat appellant in genoemde periode niet verzekerd zou zijn geweest ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Bij besluit van 10 november 2003 heeft het Uwv het verzoek om premierestitutie afgewezen. Bij besluit van 17 december 2004 heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 29 maart 2005 heeft de rechtbank Maastricht het beroep tegen dit besluit met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ongegrond verklaard. Het verzet tegen deze uitspraak is ongegrond verklaard.

Op 14 april 2006 heeft appellant zich opnieuw tot het Uwv gewend met het verzoek de van 11 november 1974 tot en met 30 maart 2000 door [naam werkgever] ten onrechte aan het Uwv afgedragen sociale verzekeringspremies aan hem te restitueren. Het Uwv heeft dit verzoek aangemerkt als verzoek om herziening van het besluit van 10 november 2003 en dit verzoek bij besluit van 25 augustus 2006 afgewezen. Aan de afwijzing heeft het Uwv primair ten grondslag gelegd dat appellant geen belanghebbende is in de zin van de Awb, en subsidiair, met toepassing van artikel 4:6 van de Awb, dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Bij besluit van 7 november 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die tot herziening zouden nopen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant ter ondersteuning van het verzoek om terug te komen van het besluit van 10 november 2003 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, en dat niet gezegd kan worden dat het Uwv niet in redelijkheid tot het besluit van 7 november 2006 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het Uwv het verzoek van appellant van 14 april 2006 op goede gronden heeft aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 10 november 2003. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat - gelet op de intrekking van de Coördinatiewet Sociale Verzekering per 1 januari 2006 en de inwerkingtreding per die datum van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) - sprake is van een nieuwe aanvraag die niet met toepassing van artikel 4:6 van de Awb kan worden afgewezen. De Raad overweegt daartoe dat appellant met zijn verzoek van 14 april 2006 heeft beoogd premierestitutie te verkrijgen over een periode waarin, gelet op de overgangsbepalingen van de Wfsv, het vóór 1 januari 2006 geldende recht van toepassing is en dat het Uwv bij besluit van 10 november 2003 op basis van dat recht het verzoek om premierestitutie reeds eerder heeft afgewezen.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

De Raad stelt vast dat appellant bij zijn aanvraag van 14 april 2006 feitelijk zijn verzoek van 29 september 2003 heeft herhaald, en aldus zijn aanvraag van 14 april 2006 niet heeft gestoeld op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De inwerkingtreding van de Wfsv kan niet als zodanig gelden. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 10 november 2003. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

AB