Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
07-280 WWB + 07-281 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. (nog steeds) Geen duidelijkheid over de transacties met betrekking tot álle onroerende zaken die volgens de bevindingen van Bureau buitenland op naam van appellant waren geregistreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/280 WWB

07/281 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 december 2006, 06/577 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College).

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 april 2008 heeft mr. J.B. Bogaart, advocaat te Geleen, aan de Raad bericht het geding te hebben overgenomen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 april 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bogaart en M. Cordes, tolk. Appellante is niet verschenen. Het College is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen vanaf februari 1985, met onderbrekingen, een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Na beëindiging van de bijstandsuitkering met ingang van 1 november 2002 hebben appellanten zich op 28 april 2003 gemeld met het verzoek hen bijstand toe te kennen. Dit verzoek is bij besluit van 10 juni 2003 afgewezen. Bij besluit van 2 december 2003 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2003 ongegrond verklaard, op de grond dat appellanten in gebreke zijn gebleven duidelijkheid te verschaffen over hun vermogen in Turkije en de wijze van verwerving daarvan. Bij uitspraak van 5 juli 2004 (03/1391) heeft de rechtbank Roermond het beroep tegen het besluit van 2 december 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 juni 2005, LJN AT8561 (04/4454 en 04/4455) heeft de Raad de uitspraak van 5 juli 2004 bevestigd.

Het College heeft bij besluit van 25 mei 2004 een nieuwe aanvraag van appellanten om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen op de grond dat appellanten - kort weergegeven - geen (volledige) openheid over hun vermogenspositie hebben gegeven. Bij besluit van 27 juli 2004 heeft het College het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 maart 2005 (04/1074) heeft de rechtbank Roermond het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is op 6 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van griffierecht. Het tegen deze uitspraak gedane verzet is door de Raad bij uitspraak van 24 januari 2006 (05/2643 en 05/2644) ongegrond verklaard.

Vervolgens leidt de Raad uit de gedingstukken af dat appellant van 1 januari 2005 tot en met 2 juli 2005 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen.

Appellanten hebben zich op 29 juni 2005 opnieuw gemeld met het verzoek hen een bijstandsuitkering toe te kennen. In verband daarmee heeft het College bij brief van 22 juli 2005 aan appellanten verzocht om voor 5 augustus 2005 de volgende gegevens te verstrekken:

“Deugdelijke, schriftelijke, door ons te verifieren bewijsstukken waaruit blijkt dat u al uw onroerende zaken welke u in Turkije bezit verkocht hebt.

Bewijsstukken van alle financiële transacties die betrekking hebben op de verkoop van de onroerende zaken.”

Bij brief van 5 augustus 2005 hebben appellanten aan het College medegedeeld niet te beschikken over meer informatie dan de reeds bij het College aanwezige informatie. Tevens hebben appellanten, met verwijzing naar de kadastrale informatie uit Turkije, aangegeven, dat zij geen onroerende zaken in Turkije bezitten.

Bij besluit van 12 september 2005 heeft het College het verzoek om bijstandsuitkering afgewezen. Het College heeft bij besluit van 7 februari 2006 het bezwaar tegen het besluit van 12 september 2005 ongegrond verklaard omdat - kort gezegd - nog steeds onduidelijkheid bestaat over de vermogenspositie van appellanten waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld of appellanten in zodanige financiële omstandigheden verkeren dat recht op bijstand bestaat.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 februari 2006 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hiertoe hebben appellanten ook in hoger beroep aangevoerd dat zij alle noodzakelijke inlichtingen over hun vermogen hebben verstrekt.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.

De resultaten van het onderzoek van Bureau buitenland naar het bezit van appellant(en) van onroerende zaken in Turkije, zijn (mede) aanleiding geweest tot verschillende procedures over de bijstandsuitkering van appellanten. Deze procedures hebben geleid tot drie uitspraken van de Raad. Op 28 juni 2005 heeft de Raad uitspraak gedaan in de zaken 03/4878 en 03/4879 (LJN AT8497), 04/1500 en 04/1501 (LJN AT8514) en 04/4454 en 04/4455 (LJN AT8561). De Raad stelt vast dat daarbij zowel de betekenis van de resultaten van het door Bureau buitenland ingestelde onderzoek, neergelegd in een rapport van 26 juni 2002, als de betekenis van de door appellanten overgelegde Registratie eigendomsakten van 29 november 2002 en Registratie eigendomsakten uit Sanli Urfa van 2 mei 2003 uitdrukkelijk zijn besproken en beoordeeld. Bij uitspraak van 28 juni 2005, LJN AT8561 (04/4454 en 04/4455) heeft de Raad onder meer overwogen:

“De Raad stelt onder verwijzing naar de overwegingen in zijn uitspraak van heden in de gedingen met reg.nrs. 03/4878 NABW en 03/4879 NABW vast dat appellanten niet inzichtelijk hebben gemaakt welke onroerende zaken zij op 1 november 2002 nog in eigendom hadden. De Raad stelt voorts vast dat appellanten, ondanks het expliciete verzoek daartoe, evenmin duidelijkheid hebben verschaft over hun vermogen ten tijde van de onderhavige aanvraag. Weliswaar hebben appellanten naar aanleiding van de aanvraag een Registratie eigendomsakten uit Sanli Urfa overgelegd, maar zowel ten aanzien van de datering van dat document als de datum waarop de daarin vermelde eigendomsgegevens zien is onduidelijkheid blijven bestaan. Gelet hierop heeft gedaagde de aanvraag van appellanten van 29 april 2003 dan ook terecht afgewezen, …”

De Raad stelt vervolgens vast dat appellanten in het kader van deze procedure opnieuw hebben volstaan met het overleggen van bekende, eerder beoordeelde, informatie waaronder de eerdergenoemde Registratie eigendomsakten uit Sanli Urfa. Daarmee hebben appellanten naar het oordeel van de Raad nog steeds geen duidelijkheid verschaft over de transacties met betrekking tot álle onroerende zaken die volgens de bevindingen van Bureau buitenland op naam van appellant waren geregistreerd. Met name hebben appellanten niet opgehelderd wanneer de overdracht van deze onroerende zaken zou hebben plaatsgevonden en tegen welke prijs dit is geschied.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA