Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
06-6420 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet woonachtig op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6420 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 oktober 2006, 05/898 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. A.E.B. de Hollander, advocaat te Rijssen.

Het College heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 april 2008. Partijen zijn, zoals van te voren meegedeeld, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 28 januari 2005 heeft het College de bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 7 juli 2000 tot en met 31 mei 2002 op de grond dat zij haar hoofdverblijf niet op het opgegeven woonadres had en hiervan geen melding had gemaakt. De over deze periode gemaakte kosten van bijstand zijn van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 23.241,16. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juni 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juni 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

Appellante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 6 juni 2005 in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het College heeft zijn standpunt dat appellante in de hier van belang zijnde periode niet woonachtig was op het door haar opgegeven woonadres gebaseerd op het rapport van de Sociale Recherche Twente, waaruit onder meer naar voren komt dat het waterverbruik op het opgegeven woonadres in de periode van 7 juli 2000 tot en met 2 december 2003 4 m³ bedroeg en dat ook het energieverbruik laag was. Appellante heeft hierover op 14 december 2004 onder meer verklaard dat zij van medio 2002 tot eind 2003, gedurende welke periode haar ex-echtgenoot gedetineerd was, bij haar dochters heeft gewoond op het adres aan [het adres]. Overigens heeft appellante verklaard dat als gevolg van het overlijden van haar zoon in 2000 het gezin weer dichter tot elkaar is gekomen.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit vanwege het College ingesteld onderzoek genoegzaam is gebleken dat appellante in de betrokken periode niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen en verwijst daarnaar. Vaststaat dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door van haar gewijzigde woonsituatie in die periode geen melding te doen bij het College. Nu duidelijkheid omtrent de woon- en leefsituatie van essentieel belang is voor het recht op bijstand en deze duidelijkheid in het geval van appellante ontbreekt, heeft het College terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand van appellante in de betrokken periode niet valt vast te stellen.

De in hoger beroep nog naar voren gebrachte grief dat het onderzoek naar de waterstanden ongeoorloofd was kan niet slagen, reeds omdat het waterleidingbedrijf ingevolge artikel 64, eerste lid, aanhef en onder m, van de WWB behoort tot de instanties die verplicht zijn desgevraagd aan het College inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.

Het College was, gelet op het vorenstaande, dan ook bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over deze periode in te trekken en tot terugvordering over te gaan op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Nu is gehandeld in overeenstemming met de ter zake niet onredelijk te achten beleidsregels en in hetgeen door appellante is aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht had moeten worden afgeweken van die beleidsregels, komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het besluit van 6 juni 2005 in stand dienen te blijven.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA