Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
07-5405 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering, alsmede een toeslag. Geen sprake van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit ten gevolge van dit oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5405 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 15 augustus 2007, onderwerp BZ 7570, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1930, heeft in juni 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering, alsmede een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 25 maart 2002. Daarbij is vastgesteld dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, maar dat zij niet voldoet aan de ingevolge de Wet geldende eis dat sprake is van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit ten gevolge van dit oorlogsgeweld.

1.2. Een door appellante tegen dit besluit gemaakt bezwaar, gericht tegen verweersters standpunt dat geen sprake is van psychische invaliditeit, is voor verweerster aanleiding geweest haar te laten onderzoeken door psychiater H.S.R. Witte. Deze psychiater is, blijkens het door hem uitgebrachte rapport van onderzoek van 6 december 2002, van oordeel dat er bij appellante geen psychiatrische stoornis in engere zin kan worden gediagnosticeerd. De bij appellante aanwezige primaire insomnia ziet deze psychiater in verband staan met haar urologische klachten en voorts heeft deze psychiater overwogen dat voor zover er bij appellante sprake is van causaal gerelateerde angstdromen of nachtmerries, deze zeer infrequent voorkomen en nooit hebben geleid tot psychiatrische/ psychologische behandeling of medicatiegebruik. In navolging van het op dit rapport van onderzoek gebaseerde medisch advies heeft verweerster bij besluit van 30 december 2002 haar in het besluit van 25 maart 2002 neergelegde standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van blijvende (psychische) invaliditeit ten gevolge van het oorlogsgeweld.

2. In juli 2006 heeft mr. J.C.M. van Berkel voornoemd zich namens appellante tot verweerster gewend met een hernieuwde aanvraag op grond van de Wet. In dat verband is met name gewezen op toegenomen nervositeitsklachten.

Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 13 december 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Verweerster heeft hierbij, in navolging van haar geneeskundig adviseur, het standpunt ingenomen dat bij appellante nog steeds geen sprake is van met het oorlogsgeweld samenhangende psychische invaliditeit.

3. Appellante kan zich met het standpunt van verweerster niet verenigen. Daarbij is onder meer gesteld dat de psychische klachten van appellante ernstiger zijn dan door verweerster is aangenomen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Verweerster heeft aanleiding gezien om appellante in verband met het namens haar ingediende bezwaar te laten onderzoeken door de geneeskundig adviseur G. Kho. Deze heeft blijkens het door hem uitgebrachte advies vastgesteld dat de huidige psychische klachten van appellante niet gewijzigd zijn ten opzichte van 2002.

4.2. Naar het oordeel van de Raad vindt verweersters besluit in het door de arts Kho uitgebrachte advies een deugdelijke motivering. In de omtrent appellante beschikbare medische gegevens zijn naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten te vinden om het standpunt van verweerster onjuist te achten. De door de huisarts van appellante aan haar gerichte brief van 15 mei 2007, die in beroep is overgelegd, oordeelt de Raad daartoe onvoldoende. Hierin wordt slechts gewezen op het feit dat appellante last heeft van inslaapproblemen, waarvoor zij soms medicatie gebruikt en dat zij veel last heeft van nachtmerries. Het uit deze informatie naar voren komende beeld ziet de Raad evenwel niet wezenlijk afwijken van hetgeen door psychiater Witte voornoemd is vastgesteld en blijkens onderzoek van de arts Kho ongewijzigd is.

4.3. Het namens appellante gedane beroep op de zogenoemde omgekeerde bewijslast dan wel het door verweerster bij jeugdige oorlogsgetroffenen gehanteerde beleid inzake sequentiële oorlogstraumatisering kan niet tot een ander oordeel leiden. Voor zover bij appellante psychische klachten aanwezig zijn, zijn deze blijkens de gedingstukken medisch bezien zo gering dat van invaliditeit hoe dan ook geen sprake is.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD