Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
07-5103 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Periodieke uitkering: Minimumgrondslag van de periodieke uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5103 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 juni 2007, onderwerp BZ 46760, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2008. Appellant is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2005 een aanvraag ingediend voor, onder meer, een periodieke uitkering op grond van de Wet en een vergoeding van de kosten van gebitsrehabilitatie. Bij besluit van 2 oktober 2006 is appellant erkend als vervolgde in de zin van de Wet en is aan hem met ingang van 1 juni 2005 een periodieke uitkering toegekend, een vergoeding voor een éénmalige gebits-rehabilitatie en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Hierbij is aanvaard dat de psychische klachten en de gebitsklachten van appellant in verband staan met de vervolging. De hartklachten en hypertensie staan naar het oordeel van verweerster niet in verband met de vervolging maar zijn door andere oorzaken ontstaan.

1.2. Nadat appellant tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, is bij het bestreden besluit de vergoeding voor gebitsrehabilitatie verhoogd van $ 4.800,- naar $ 9.000,-. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat verweerster ten onrechte geweigerd heeft de grondslag waarnaar zijn uitkering is berekend te bepalen naar het inkomen dat hij tijdens zijn werkzame leven had verdiend. Hij heeft voorts bezwaren tegen de hoogte van de aftrek wegens inkomsten uit vermogen.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Bij het bestreden besluit is gehandhaafd de met toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de Wet vastgestelde minimumgrondslag van de periodieke uitkering. Vastgesteld was dat appellant, die ten tijde van de aanvraag de leeftijd van 72 jaar had bereikt en al geruime tijd niet meer werkzaam was in beroep of bedrijf, verminderd functioneerde ten opzichte van leeftijdgenoten.

4.2. De Raad is van oordeel dat verweerster terecht die minimumgrondslag heeft gehanteerd, nu uit de beschikbare gegevens op geen enkele wijze blijkt dat appellant tijdens zijn arbeidsverleden geïnvalideerd is geraakt als gevolg van de uit zijn oorlogsverleden voortvloeiende psychische klachten en gebitsproblemen. Dat de behandelend cardioloog van appellant in 1984 zou hebben gezegd dat zijn hartklachten een gevolg zijn van zijn oorlogsverleden wordt niet gestaafd met medische gegevens uit die periode. De hartklachten zijn volgens de opgave van appellant zelf in 2004 ontstaan en de Raad ziet, gezien het lange interval tussen de oorlog en de klachten, geen aanleiding om het met rapporten van twee geneeskundig adviseurs van verweerster onderbouwde standpunt dat de hartklachten van appellant constitutioneel zijn bepaald, voor onjuist te houden.

4.3. De grieven van appellant met betrekking tot de vaststelling van zijn vermogen hebben betrekking op de berekeningsbeslissing van verweerster van januari 2007 en komen aan de orde bij de behandeling van zijn bezwaar tegen dat besluit.

5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard en is er geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.