Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4025

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
07-4966 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit onvoldoende gemotiveerd: gezien hetgeen appellant naar voren heeft gebracht omtrent de omstandigheden waaronder de werkzaamheden moesten worden verricht had nader moeten worden onderzocht of sprake was van een maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4966 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 juni 2007, onderwerp BZ 7677, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Appellant is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1928 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering, een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer en een tegemoetkoming in de kosten van huishoudelijke hulp. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op bij hem bestaande gezondheidsklachten, die hij toeschrijft aan zijn gedwongen tewerkstelling tijdens de Japanse bezetting en zijn internering in verschillende kampen tijdens de Bersiap-periode.

1.2. Verweerster heeft de internering van appellant tijdens de Bersiap-periode in het kamp Bermit bij Pasoeroean, het kamp Dringgoe/Wonolongan en het kamp Maron bij Probolinggo aannemelijk geacht. De aanvraag van appellant is echter afgewezen bij besluit van 12 februari 2007 op de grond dat niet wordt voldaan aan de volgens de Wet gestelde eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel ten gevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit.

1.3. In bezwaar heeft appellant in hoofdzaak aangevoerd dat alleen al het onder erbarmelijke omstandigheden voor de Japanners moeten werken voldoende zou moeten zijn om onder de werking van de Wet te worden gebracht en dat hij hiervan veel lichamelijke en psychische problemen ondervindt.

1.4. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, waarbij ten aanzien van de gedwongen tewerkstelling is overwogen dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat er sprake was van vrijheidsberoving onder permanente bewaking, noch dat er sprake was van een tegen appellant gerichte handeling of maatregel in de zin van de Wet. Geoordeeld is dat de bij appellant bestaande psychische klachten, bestaande uit nachtmerries, slaapproblemen en angstklachten, geen beperkingen opleveren in het dagelijks functioneren van appellant en er dus geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld.

1.5. Appellant heeft in beroep zijn onder 1.3 weergegeven standpunt herhaald.

1.6. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Blijkens de gedingstukken is de erkenning van appellant als oorlogsgetroffene in de zin van de Wet uitsluitend gebaseerd op de ervaringen van appellant tijdens de internering in kampen in de Bersiap-periode en is zijn tewerkstelling door de Japanners tijdens de bezetting niet in aanmerking genomen. Op grond van een medisch advies is vervolgens aangenomen dat appellant ten gevolge van die internering geen lichamelijk en/of psychisch letsel heeft opgelopen dat tot blijvende invaliditeit heeft geleid. De Raad is van oordeel dat, gezien hetgeen appellant naar voren heeft gebracht omtrent de omstandigheden waaronder de werkzaamheden moesten worden verricht, nader had moeten worden onderzocht of sprake was van een maatregel in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet. De Raad acht het bestreden besluit, gelezen in samenhang met het advies op bezwaar, op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

2.2. Nu ook bij het ten behoeve van het bestreden besluit ingestelde medische onderzoek slechts rekening is gehouden met de internering van appellant tijdens de Bersiap-periode, berust het bij het bestreden besluit gehandhaafde standpunt dat geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld naar het oordeel van de Raad op een onvoldoende deugdelijke motivering.

2.3. Gezien het vorenstaande komt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:12 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Verweerster zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3. Van op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit, onderwerp BZ 46970, van 28 juni 2007;

Draagt verweerster op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellant het door hem in beroep betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

25.05