Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
07-2183 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Verdiensten als freelance tolk. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2183 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank de rechtbank Dordrecht van 23 maart 2007, 06/610 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht (hierna: College),

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 mei 2008. Partijen zijn, met kennisgeving, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een fraudemelding is onderzoek ingesteld naar de verdiensten van appellant als freelance tolk. Het resultaat van dit onderzoek is voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 27 juni 2005 de bijstand van appellant over de periode van 14 februari 2003 tot en met 6 december 2004 te herzien. Tevens is besloten tot terugvordering van te veel betaalde bijstand over die periode tot een bedrag van € 18.443,49.

Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 april 2006.

Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep, evenals in bezwaar en in beroep in eerste aanleg, uitsluitend een beroep gedaan op zijn persoonlijke omstandigheden, op grond waarvan (deels) van terugvordering zou moeten worden afgezien. Daarbij heeft appellant ook gewezen op het feit dat hij zich van geen kwaad bewust was en bij zijn weten bij opgave van zijn verdiensten heeft gehandeld zoals afgesproken was. Het College betwist die afspraak.

De Raad komt, zich beperkend tot de punten van geschil, tot de volgende beoordeling.

Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat appellant naar uit de stukken kan worden afgeleid, in het geheel geen opgave heeft gedaan van zijn verdiensten over 2003 en 2004, dus ook niet conform de afspraak zoals die volgens appellant was gemaakt. Daarmee staat de schending van de inlichtingenverplichting vast en dat appellant zich daar naar zijn stelling niet van bewust was maakt dat niet anders. Appellant had moeten weten dat hij gehouden was om zijn inkomsten op te geven en dat zijn verzuim mogelijk niet opzettelijk is geweest kan daaraan niet afdoen. In het licht daarvan is de omstandigheid dat appellant inmiddels door de strafrechter is vrijgesproken voor de Raad, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie ter zake, geen aanleiding anders te oordelen.

De Raad stelt voorts vast dat het in bezwaar gedane verzoek van appellant om kwijtschelding terecht is bezien in het kader van de gebruikmaking van de bevoegdheid tot terugvordering van het College. Daarbij hanteert het College het door de Raad niet onredelijk geachte beleid dat in geval van bijstandverlening tot een te hoog bedrag als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting van terugvordering kan worden afgezien bij dringende redenen.

In de persoonlijke omstandigheden van appellant, die uit Kosovo afkomstig is, terug wil keren naar zijn geboortegrond, in slechte gezondheid verkeert en ten tijde van belang drie studerende kinderen had, heeft het College terecht geen dringende reden als hiervoor bedoeld gezien. In hetgeen overigens is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 8:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

WA