Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
07-4168 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gebitsherstel: de huidige behandelnoodzaak is gelegen in een afzonderlijke, niet met de vervolging in verband staande aandoening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4168 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 20 april 2007, onderwerp BZ 46465, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Voor appellante is verschenen mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren op 1 januari 1943 te Amsterdam, is vervolgde in de zin van de Wet. Bij op bezwaar genomen besluit van 28 december 1999 heeft verweerster aan appellante op grond van artikel 20 van de Wet een vergoeding toegekend van de kosten verbonden aan het eenmalige herstel van haar gebit, in verband met haar uit de vervolging voortvloeiende gebitsklachten. De gebitsrehabilitatie is in 1999 voltooid en op basis van declaraties in 2000 betaald tot een bedrag van ongeveer fl 55.000,-. De behandelend tandarts dr. F. Rosengarten heeft op 28 april 2000 in dit verband verklaard dat het toegestane gebitsherstel is uitgevoerd en afbehandeld.

2. Op 3 maart 2006 heeft appellante wederom een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor een vergoeding van een gebitsrehabilitatie. Appellante heeft daarbij aangegeven dat zij gebits- en tandvleesproblemen heeft en dat de situatie is verslechterd ondanks haar optimale tand- en mondhygiëne.

Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 31 mei 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daartoe heeft verweerster overwogen dat de door appellante gevraagde voorziening in verband staat met niet uit de vervolging voortvloeiende parodontale klachten en voorts dat na het met de aan appellante eerder toegekende vergoeding uitgevoerde herstel van het gebit, de uit de vervolging voortvloeiende gebitsklachten geacht worden te zijn hersteld en de na dit herstel optredende kosten worden beschouwd als voor iedereen geldende kosten van levensonderhoud.

3. Appellante kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij heeft ondermeer aangevoerd dat sprake is geweest van stelselmatige jarenlange verwaarlozing van haar gebit als gevolg van haar causale psychische klachten en heeft nog gewezen op het ontstaan van een droge mond problematiek in verband met haar astma.

4. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.1. Verweerster hanteert met betrekking tot gebitsklachten het uitgangspunt dat met een aan een betrokkene verstrekte eenmalige gebitsrestauratie de door de vervolging ontstane schade geacht wordt te zijn hersteld. Kosten verband houdende met nadien optredende klachten ziet verweerster als normale, uit de op ieder gelijkelijk rustende plicht zijn gebit te verzorgen voortkomende kosten die niet kunnen worden beschouwd als extra kosten in de zin van de Wet.

4.2. De Raad heeft dit uitgangspunt van verweerster in het algemeen aanvaardbaar geoordeeld.

4.3. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerster bij de toekenning van de eenmalige vergoeding van de kosten van gebitsrehabilitatie in 1999 in aanmerking heeft genomen dat er sprake was van een combinatie van causale bepaaldheid, te weten medicatie in verband met causale CARA, verwaarlozing van het gebit door niet naar een tandarts te gaan, het zijn van jonge zwaar-vervolgde, en de omstandigheid dat aan een broer eveneens reeds gebitsrehabilitatie was toegekend. De parodontologische behandelingen zijn toen als onderdeel van het goedgekeurde behandelplan vergoed.

4.4. Verweerster stelt zich op het standpunt dat dit niet wil zeggen dat zij daarmee destijds de parodontologische problematiek ook als causaal heeft aanvaard. Ter zitting is van de kant van verweerster nader toegelicht dat afgezien van een incidentele behandeling in de jeugd van appellante pas weer sprake was van tandartsbezoek in 1985 toen enkele kiezen werden getrokken en een plaatje werd gemaakt en dat vanaf dat moment ontstekingen werden gemeld hetgeen lijkt te wijzen op parodontitis die op latere leeftijd is ontstaan. Indien er vanaf de jeugd sprake was geweest van een parodontale aandoening, zou er veel eerder verlies van gebitselementen zijn opgetreden. Om die reden, aldus verweerster, kan geen “rode draad” van parodontaal lijden worden aangenomen. Dat een gebrek aan behandeling gedurende de jeugd van appellante kan hebben bijgedragen aan het ontstaan van de parodontitis omdat normaal gesproken instructies mondhygiëne gegeven zou zijn, zoals prof. dr. U. van der Velden in zijn brief van 26 oktober 2007 aan de gemachtigde van appellante oppert, acht verweerster voorts onvoldoende om alleen op die grond een verband te aanvaarden bij een ziekte die in eerste instantie wordt veroorzaakt door andere, niet met de vervolging samenhangende factoren.

4.5. De Raad kan zich met het standpunt van verweerster verenigen. De door verweerster in deze gehanteerde richtlijn dat bij de beoordeling van gevallen waarin sprake is van een langdurig kampverblijf moet kunnen blijken van een aan de oorlogsjaren direct aansluitende constante lijn van parodontale problematiek verdient weliswaar enige nuancering in die zin dat extreem slechte hygiënische en voedingsomstandigheden nog jaren later in een verergerde parodontale afbraak tot uiting kunnen komen (CRvB 5 maart 1998, nr. 96/2904 WUV, LJN: ZB7765), maar de Raad heeft in het geval van appellante in de beschikbare gedingstukken geen aanwijzingen gevonden dat daarvan reeds op jeugdige leeftijd sprake was.

4.6. Nu de huidige behandelnoodzaak is gelegen in een afzonderlijke, niet met de vervolging in verband staande aandoening ziet de Raad reeds daarom geen aanleiding verweerster gehouden te achten een uitzondering te maken op haar onder 4.1. weer gegeven uitgangspunt dat vergoeding ingevolge de Wet van gebitskosten slechts eenmalig geschiedt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

31.05