Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
07-4044 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen erkenning als burger-oorlogsslachtoffer: in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld. Niet horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4044 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 14 juni 2007, onderwerp BZ 7509, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Namens appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

2. Bij besluit van 22 november 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist, op de grond - kort gezegd - dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet.

3. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

3.1. Namens appellant is in de eerste plaats gesteld dat verweerster heeft gehandeld in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu appellant niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de na de hoorzitting van 11 april 2007 verkregen informatie uit het relatiedossier van [naam oom van appellant].

3.2. In artikel 7:9 van de Awb is bepaald dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan de belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord.

De Raad stelt vast dat de hiervoor bedoelde informatie niet meer inhoudt dan een bevestiging van het door verweerster bij het primaire besluit van 22 november 2006 ingenomen standpunt, hetgeen met zich brengt, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 10 december 2002, LJN AF3428), dat die informatie niet kan worden gekwalificeerd als een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Deze grief treft dan ook geen doel.

3.3. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, dan wel gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden (de zogenoemde Bersiap-periode) in het voormalige Nederlands-Indië lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen of ongeregeld-heden direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

3.4. Als relevante oorlogsgebeurtenissen heeft appellant naar voren gebracht dat hij tijdens de Japanse bezetting heeft verbleven in Tambaksari en dat hij verschillende malen is geëvacueerd waaronder in 1949 uit Jogjakarta.

3.5. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens, waaronder gegevens van het Nederlandse Rode Kruis, de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en resultaten van dossieronderzoek van (de broer) [naam broer van appellant] en (de oom) [naam oom van appellant], heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant tijdens de bezettingsjaren en de daaropvolgende Bersiap-periode heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van de Wet. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in dit verband terecht geoordeeld dat het verblijf in de Tambaksari(straat) niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat uit de stukken naar voren komt dat de bewoners (van die straat) zich vrijelijk konden bewegen en niet blijkt dat er sprake is geweest van een als maatregel in de zin van de Wet aan te merken vrijheidsberoving.

Met betrekking tot de gestelde evacuaties heeft verweerster doorslaggevend geacht de vraag of er sprake is geweest van levensbedreigende omstandigheden voorafgaand of tijdens de evacuatie. De Raad is uit het ten behoeve van onderhavige aanvraag opgestelde sociaal rapport - bezien in samenhang met de in het relatiedossier van [naam oom van appellant] ingediende verklaringen van [A. B. en C.B.] - niet gebleken dat appellant aan zodanige omstandigheden heeft blootgestaan.

4. Uit het voorgaande volgt dat de door appellant genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden en het bestreden besluit ook op dit punt in rechte kan standhouden.

5. De namens appellant in beroep aangevoerde grief dat verweerster, nu zij eerst naar aanleiding van het tijdens de hoorzitting gedane verzoek is overgegaan tot het verifiëren van relatiedossiers hierin aanleiding had moeten vinden tot het vergoeden van de proceskosten in bezwaar, kan de Raad niet onderschrijven, aangezien bedoelde informatie niet heeft geleid tot het herroepen van het onder 2 genoemde besluit, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

6.Gezien het voorgaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

25.05