Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
07-3854 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oorlogservaringen van kind uit gemengd huwelijk. Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden aagevoerd die alsnog erop duiden dat bij de eerste afwijzing uit 1993 aperte fouten zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3854 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 24 mei 2007, onderwerp BZ 46578 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 23 december 1993 heeft verweerster afwijzend beslist op een aanvraag van appellant (geboren in januari 1944) van maart 1993, die vooral ertoe strekte om als zogenoemd tweede generatie-oorlogsslachtoffer met toepassing van artikel 3, tweede lid, oud, van de Wet met een vervolgde te worden gelijkgesteld. Daartoe is overwogen dat de psychische klachten van appellant niet in overwegende mate verband houden met de vervolging van zijn vader. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden. Een verzoek van appellant van april 2003 om genoemd besluit te herzien heeft verweerster afgewezen bij besluit van 17 november 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 december 2003, op gronden ontleend aan artikel 61, tweede lid, van de Wet. Het tegen dit laatste besluit door appellant ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 27 januari 2005, nr. 04/220 WUV, ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen, kort gezegd, dat - gegeven de sluiting van de Wet voor de tweede generatie - niet is voldaan aan de voor herziening van zodanige afwijzing gehanteerde maatstaf dat sprake moet zijn van aan de eerdere afwijzing ten grondslag liggende aperte fouten.

1.2. Appellant heeft zich in februari 2006 wederom gewend tot verweerster met een verzoek om het eerdere besluit van 23 december 1993 te herzien. Verder heeft appellant gevraagd om hem op grond van zijn eigen oorlogservaringen met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij als kind uit een zogenoemd gemengd huwelijk, waarin de vader de joodse partner was, tijdens de oorlogsjaren onder bijzonder ongunstige omstandigheden heeft moeten leven. In dit verband heeft appellant vooral gewezen op zijn aanwezigheid bij zeer angstaanjagende razzia's, waarbij eenmaal werd gedreigd om hem mee te nemen, de angst van zijn moeder - mede ook vanwege onderduikers in huis - die hem om die reden soms met een pleister op zijn mond in een kast verstopte en hem om die reden enige tijd bij een familie in Arnhem onderbracht, en de zorgen en de angst van zijn moeder om zijn, gedurende perioden, ook afwezige vader.

1.3. Deze aanvraag heeft verweerster bij besluit van 29 augustus 2006 afgewezen en na daartegen namens appellant gemaakt bezwaar heeft verweerster die afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd. Wat betreft het verzoek om herziening is overwogen, samengevat, dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die alsnog erop duiden dat bij de eerste afwijzing uit 1993 aperte fouten zijn gemaakt. Wat betreft het verzoek om gelijkstelling op grond van eigen oorlogservaringen is overwogen dat in het geval van appellant niet gesproken kan worden van het meemaken van omstandigheden die zich duidelijk ongunstig hebben onderscheiden van die van andere kinderen uit een gemengd huwelijk.

1.4. In beroep heeft appellant de juistheid van deze opvatting van verweerster bestreden en aangevoerd dat wel degelijk sprake is geweest van zeer ongunstige omstandigheden in verband met de vervolging. Hierbij is mede benadrukt dat de jeugdige leeftijd van appellant tijdens de oorlog en het niet hebben van eigen herinneringen aan de beschreven gebeurtenissen volgens medisch inzicht nog niet betekent, zoals verweerster kennelijk meent, dat daaruit geen gevolgen voor de psychische gezondheidstoestand kunnen voortvloeien.

2. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Wat betreft de afwijzing van het herhaalde verzoek om herziening van het besluit van 23 december 1993 heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat thans, in vergelijking met hetgeen al werd gesteld bij de eerste aanvraag in 1993 en daarna bij het verzoek om herziening dat uiteindelijk heeft geleid tot de onder 1.1 genoemde uitspraak, sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die op deze kwestie een ander licht werpen. Het beroep slaagt derhalve in zoverre niet.

2.2.1. Wat betreft de afwijzing van het verzoek om gelijkstelling met de vervolgde op grond van eigen oorlogservaringen staat voorop dat verweerster ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet bevoegd is om de persoon die tijdens de oorlogsjaren in omstandigheden verkeerde die overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk te stellen indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster bij het uitoefenen van die bevoegdheid een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad dient na te gaan of gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel of het bestreden besluit overigens in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.

2.2.2. Tot deze conclusie is de Raad hier niet kunnen komen.

In eerdere soortgelijke gevallen - onder meer in de uitspraak nr. 05/5357 WUV, LJN: AY7746 - heeft de Raad al aanvaardbaar geoordeeld de door verweerster ook in deze zaak gehanteerde beleidslijn dat bij kinderen uit zogenoemde gemengde huwelijken eerst dan aanleiding bestaat voor gelijkstelling met de vervolgde op grond van hun eigen oorlogservaringen indien gezegd kan worden dat die ervaringen duidelijk in ongunstige zin afwijken van hetgeen andere kinderen uit zodanige huwelijken hebben meegemaakt.

De Raad kan voorts niet onjuist achten de opvatting van verweerster dat zodanige ervaringen, vooral ook gelet op de zeer jeugdige leeftijd van appellant ten tijde van belang, zich hier niet hebben voorgedaan. Hierbij wil de Raad bepaald niet ontkennen dat sprake is geweest van angstige omstandigheden, die mogelijk hebben bijgedragen tot de nu bij appellant aanwezige psychische klachten. Dit neemt echter niet weg dat het bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet moet gaan om omstandigheden die overeenkomst vertonen met vervolging, zoals omschreven in artikel 2 van de Wet, te weten vrijheidsberoving of onderduik om aan vrijheidsberoving te ontkomen, althans om omstandigheden die bij de betrokkene hebben geleid en konden leiden tot de vrees dat hij zou worden vervolgd. De omstandigheden die appellant heeft genoemd zijn niet in deze zin met vervolging te vergelijken en kunnen, gezien zijn zeer jeugdige leeftijd en het dientengevolge, naar op zich niet is betwist, ontbreken van besef over wat er gebeurde, bij hem niet hebben geleid tot de vrees te worden vervolgd.

Ook in dit opzicht slaagt het beroep van appellant daarom niet.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het beroep van appellant ongegrond wordt verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

24.05