Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
06-5279 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of de ter verwerving van - tot besparing op de Wuv-uitkering leidende - WAO-uitkering gemaakte advocaatkosten op grond van de Wuv geheel vergoed dienen te worden. Gewekte verwachtingen?

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5279 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 27 juli 2006, onderwerp BZ 45333 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007 en is na aanhouding voortgezet op 8 mei 2008. Appellante is daar beide malen in persoon verschenen met bijstand van mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich de eerste maal heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen en vervolgens door A.T.M. Vroom-van Berckel, beiden werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1957, is als zogenoemd tweede generatie-oorlogsslachtoffer gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet.

1.2. In verband met een in september 2004 door appellante ontvangen nabetaling van uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), heeft verweerster bij besluit van 30 december 2004 en de daarbij behorende berekenings-beschikkingen de aan appellante over de jaren 2000 tot en met 2004 toekomende periodieke uitkering ingevolge de Wet herzien en bijgesteld en daarbij vastgesteld dat een bedrag van € 19.130,71 aan appellante teveel aan periodieke uitkering is uitbetaald, welk bedrag van haar wordt teruggevorderd.

In bezwaar hiertegen heeft appellante erop gewezen dat zij voor de ingevolge artikel 57 van de Wet aangevatte verwerving van de WAO-uitkering tot september 2004 een bedrag van € 13.705,93 aan advocaatkosten heeft moeten maken en dat zij uit hierover met verweerster gepleegd vooroverleg heeft afgeleid dat die kosten, gelet op de besparing die hiermee ten behoeve van de uitvoering van de Wet is te bereiken, voor integrale compensatie in aanmerking zouden komen.

Dit bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit in zoverre gehonoreerd dat, kort gezegd, de genoemde advocaatkosten naar rato (over 48 maanden) in mindering zijn gebracht op de maandelijkse, voor korting op de periodieke uitkering in aanmerking komende extra WAO-inkomsten over de periode waarop de nabetaling betrekking had.

1.3. In beroep tegen het bestreden besluit is aangevoerd, samengevat, dat de advocaatkosten op deze wijze, anders dan was toegezegd, niet integraal worden vergoed, nu immers de advocaatkosten door appellante uit haar netto-inkomen zijn betaald terwijl de compensatie daarvan in het bruto-berekeningstraject van de periodieke uitkering is geplaatst.

1.4. Ter verweer heeft verweerster gesteld dat de bij de toepassing van artikel 57 van de Wet gehanteerde wijze van compensatie van verwervingskosten, in dit geval advocaatkosten, in lijn ligt met de systematiek van de Wet, waar bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet, handelend over de korting van arbeidsinkomsten, ook wordt uitgegaan van een vermindering van de korting met verwervingskosten in het bruto-traject.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 57 van de Wet is de uitkeringsgerechtigde, op straffe van mogelijke vermindering van zijn uitkering, gehouden om aanspraken op wettelijke voorzieningen geldend te maken, welke kunnen leiden tot vermindering van de aanspraken op grond van de Wet. Bij de uitvoering van artikel 57 van de Wet voert verweerster, naar uit de gedingstukken blijkt, het beleid dat op verzoek rekening gehouden kan worden met advocaatkosten die zijn gemaakt ter verwerving van nieuwe of hogere inkomsten en dat die kosten hiertoe in mindering worden gebracht op het te korten bedrag over het jaar waarin de betaling heeft plaatsgevonden.

2.2. De Raad is van oordeel dat dit beleid, dat - naar terecht door verweerster is gesteld - aansluit bij de systematiek van de Wet, past bij een redelijke uitleg en toepassing van artikel 57 van de Wet. Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat artikel 57 van de Wet noch enige andere hier toepasselijke bepaling ertoe noopt om bij het geldend maken van aanspraken elders gebruik te maken van de diensten van een advocaat.

2.3. Appellante heeft zich er evenwel op beroepen dat zij vanaf het begin in overleg is geweest met verweerster over de vraag of zij de procedure omtrent haar WAO-uitkering wel moest voortzetten en over de vergoeding van de te maken kosten van juridische bijstand. Gesteld is dat verweerster draalde met het geven van duidelijk uitsluitsel daarover zodat, vanwege in acht te nemen termijnen, de procedure verder is gegaan hoewel appellante vanwege haar vervolgingsgerelateerde psychische klachten veel liever hiermee was gestopt. Verder is aangevoerd dat verweerster in een brief van 16 maart 2000 heeft aangegeven dat met redelijk gemaakte advocaatkosten rekening gehouden zou worden. Appellante heeft deze brief, gelet ook op het voortdurende overleg, gezien als een toezegging van een integrale vergoeding.

2.4. Gelet op de uitvoerige toelichting door appellante ter zitting van de Raad over de gang van zaken bij het overleg met verweerster over de te volgen koers bij het geldend maken van haar rechten op een WAO-uitkering - aan de juistheid waarvan de Raad geen reden heeft tot twijfel - en mede in aanmerking genomen dat verweerster in haar voormelde, onder de gedingstukken aanwezige brief van 16 maart 2000 niet heeft aangegeven dat de advocaatkosten niet integraal zouden worden vergoed, acht de Raad voldoende aannemelijk dat bij appellante de gerechtvaardigde verwachting is ontstaan dat zij op een volledige vergoeding van de gemaakte advocaatkosten - mits redelijk, maar dat is door verweerster op zich aanvaard - kon rekenen. Aan die verwachting is met de in het bestreden besluit gehanteerde systematiek niet voldaan nu daarmee slechts ongeveer de helft van de kosten wordt vergoed.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit, wegens strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat vordert dat gerechtvaardigde verwachtingen dienen te worden nagekomen, voor vernietiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om verweerster op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,- aan kosten van verleende rechtsbijstand (4 punten).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

25.05