Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
05-7081 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Hoogte van het invaliditeitspercentage. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7081 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 3 november 2005, kenmerk 83125 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Appellante is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1932, is op grond van met het verzet van haar vader verband houdende psychische klachten bij besluit van 7 januari 1992 - met toepassing van artikel 3, oud, van het krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet gegeven koninklijk besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 - gelijkgesteld met een van de categorieën van personen op wie de Wet van overeenkomstige toepassing is. Bij nader besluit van 28 september 1992, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 augustus 1993, is aan appellante vanwege de genoemde psychische klachten een buitengewoon pensioen toegekend naar een invaliditeit in de zin van de Wet van blijvend 60%. Het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep, de hoogte van het invaliditeitspercentage betreffend, is bij uitspraak van deze Raad van 20 oktober 1994, nr. BPW 1993/50, ongegrond verklaard. Hierbij is in aanmerking genomen dat blijkens de voorhanden medische gegevens in de psychische gesteldheid van appellante, naast de bezwarende gevolgen van het verzet van haar vader, de problematische relatie met haar moeder een zelfstandige rol heeft gespeeld. Met deze uitspraak is het besluit van verweerster tot vaststelling van het invaliditeitspercentage in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Appellante heeft verweerster nadien een viertal keren, te weten in 1995, in 1998, in 1999 en in 2000, gevraagd om de onder 1.1 genoemde besluiten met toepassing van artikel 42a van de Wet in haar voordeel te herzien, waarbij steeds is aangevoerd dat ten onrechte haar psychische invaliditeit niet voor 100% is toegeschreven aan de bezwarende gevolgen van het verzet van haar vader. Verweerster heeft deze verzoeken telkenmale afgewezen op de grond dat appellante daartoe geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen.

1.3. In april 2004 heeft appellante zich nogmaals gewend tot verweerster met een verzoek om de onder 1.1 genoemde besluiten met toepassing van artikel 42a van de Wet in haar voordeel te herzien, wederom aanvoerende dat haar psychische invaliditeit ten onrechte niet geheel is toegeschreven aan de bezwarende gevolgen van het verzet van haar vader. Ook dit verzoek heeft verweerster, bij besluit van 14 mei 2004 zoals na bezwaar gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit, afgewezen op de grond dat appellante haar verzoek niet heeft doen steunen op nieuwe feiten of omstandigheden.

1.4. In beroep heeft appellante in de eerste plaats grieven aangevoerd betreffende de gang van zaken tijdens en rond de hoorzitting in bezwaar. Verder heeft appellante zich beklaagd over de wijze waarop de medische advisering over haar eerste aanvraag heeft plaatsgevonden en gesteld dat er nieuwe medische omstandigheden zijn die echter een zeer persoonlijk karakter hebben zodat zij deze alleen aan een arts tijdens een nader in te stellen medisch onderzoek kan en wil toelichten. Appellante heeft de Raad verzocht om enige door haar genoemde getuigen nader op te roepen en te horen.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 42a van de Wet is verweerster onder meer bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien.

Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat verweerster hierbij een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat volgens vaste rechtspraak van de Raad centraal de vraag of de betrokkene bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien. Het vorenstaande klemt in dit geval temeer nu het hier gaat om een herhaald verzoek om herziening.

2.2. De Raad kan, met verweerster, niet anders dan vaststellen dat appellante bij haar verzoek om herziening, noch in bezwaar tegen de primaire afwijzing van dit verzoek, nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld onder 2.1 heeft aangevoerd. De bereidheid van appellante om in een nader in te stellen medisch onderzoek opening te geven over nieuwe medische omstandigheden is op zichzelf niet toereikend. In het kader van een verzoek om herziening ligt het op de weg van de verzoeker om eerst zelf tegenover verweerster met nieuwe gegevens te komen. Bij ontbreken van zodanige gegevens kunnen grieven over de besluitvorming ten aanzien van haar inleidende aanvraag om buitengewoon pensioen niet in de beoordeling worden betrokken. Dit geldt ook voor hetgeen eventuele getuigen in beroep hierover zouden kunnen verklaren, zodat een zodanig horen niet zinvol is.

2.3. De grieven die appellante heeft aangevoerd over de gang van zaken in en rond de hoorzitting in bezwaar betreffen vooral de omstandigheid dat het daarvan gemaakte verslag niet is ondertekend door de voorzitter van de hoorcommissie en verder erg beknopt is. Verder is hierin volgens appellante ten onrechte vermeld dat zij alleen bereid zou zijn tot een nader medisch onderzoek door een psycholoog als deze onderzoeker op voorhand haar visie over de oorzaken van haar psychische klachten zou delen.

Nu echter, naar mede blijkt uit de notitie die appellante ter hoorzitting heeft voorgelezen en het commentaar op het verslag dat appellante nadien aan verweerster heeft toegezonden, vaststaat dat appellante ook ter hoorzitting niet met nieuwe gegevens is gekomen, maar - evenals ter zitting van de Raad - nog eens uitvoerig haar persoonlijke zienswijze over de besluitvorming van verweerster heeft gegeven, kan niet worden gezegd dat appellante door de in deze grieven gestelde omstandigheden, wat daarvan verder zij, is benadeeld. Om dezelfde reden is ook hierover het horen van eventuele getuigen door de Raad niet zinvol.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

25.05