Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
04-6150 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning als vervolgde, maar geen toekenning van periodieke uitkering en voorzieningen, omdat geen ziekten of gebreken zijn vastgesteld, die in verband staan met de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6150 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 24 september 2004, onderwerp BZ 44585 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Voor appellant is daar verschenen mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 26 maart 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster appellant (geboren in 1933) vanwege zijn internering tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië erkend als vervolgde in de zin van de Wet, maar hem een periodieke uitkering en voorzieningen ingevolge de Wet geweigerd op de grond dat bij hem geen ziekten of gebreken zijn vastgesteld waarvan kan worden aangenomen dat deze in verband staan met de vervolging. In het bijzonder is overwogen dat de door appellant gemelde rugklachten berusten op een degeneratieve aandoening van de rugwervels, terwijl zijn beenklachten voortkomen uit de rugklachten.

1.2. In beroep heeft appellant zich gekeerd tegen verweersters oordeel over de causaliteit van zijn rugklachten. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat hij al vanaf jeugdige leeftijd rugklachten heeft, welke hem al in de jaren '60 beperkten in zijn werk en in 1980 leidden tot de diagnose osteo artritis. Volgens de hem behandelend artsen en specialisten zijn - naar blijkt uit hun in bezwaar en beroep overgelegde verklaringen - deze klachten het gevolg van de aframmelingen en mishandelingen en de ondervoeding tijdens zijn kampverblijf. Verder heeft appellant aangevoerd dat ten onrechte niet ook onderzoek is ingesteld naar de door hem in bezwaar mede genoemde psychische problemen. Op dit punt heeft appellant verwezen naar een in beroep ingebrachte psychiatrische rapportage. Naar de mening van appellant had verweerster moeten onderkennen dat hij vanwege zijn culturele achtergrond moeilijk over psychische problemen kan praten.

1.3. Verweerster heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hierbij is erop gewezen dat de voorhanden medische gegevens geen melding maken van enig trauma maar eenduidig wijzen op een degeneratieve aandoening. Nu die aandoening pas in 1980 werd gediagnosticeerd is sprake van een zodanig interval sinds de oorlogsjaren dat een causaal verband met het kampverblijf niet valt te leggen, ook niet op grond van de nadere verklaringen van de appellant behandelend artsen die naar het oordeel van verweerster niet medisch zijn onderbouwd. Verder is namens verweerster aangevoerd dat appellant zijn voorliggende aanvraag geheel heeft gebaseerd op rugklachten en weliswaar in bezwaar ook zijdelings spreekt over psychologische problemen maar deze niet in verband met de vervolging heeft geplaatst terwijl in de gegevens uit de behandelende sector over psychische problematiek niet wordt gesproken.

2. De Raad overweegt, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, als volgt.

2.1. Verweersters besluit is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op informatie uit de behandelende sector en ten laatste ook op van het ministerie van Defensie verkregen medische informatie over de militaire diensttijd van appellant in de vijftiger jaren. In die adviezen is aangegeven dat uit de verkregen medische gegevens uit de behandelende sector naar voren komt dat bij appellant sprake is van een degeneratieve aandoening van de rug, terwijl de militaire gegevens weliswaar aangeven dat appellant eenmaal naar de specialist is gestuurd wegens rugklachten maar dat niet blijkt dat een rugafwijking is vastgesteld.

2.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Dat niet mede een onderzoek is ingesteld naar eventuele psychische klachten van appellant kan de Raad niet onrechtmatig oordelen gezien de geringe aanknopingspunten die daartoe door appellant zijn gegeven en bij gebreke van enige aanwijzing in de ten tijde van het bestreden besluit voorhanden medische gegevens. Hoewel op zich invoelbaar is dat appellant over psychische problemen moeilijk kan praten, kan van verweerster niet worden gevergd - en is ook niet zonder meer in het belang van betrokkenen - dat al bij ieder mogelijk vermoeden tot een nader medisch onderzoek wordt overgegaan. Hierbij speelt ook een rol dat het gaat om prestaties die op aanvraag worden verstrekt waarbij het dus in de eerste plaats op de weg van de aanvrager ligt om de contouren van zijn aanvraag aan te geven.

2.3. De voorhanden zijnde gegevens bieden voorts onvoldoende houvast om te twijfelen aan de juistheid van verweersters, aan genoemde medische adviezen ontleende opvatting dat de rugklachten van appellant zijn toe te schrijven aan constitutionele en degeneratieve factoren. De Raad onderschrijft hierbij het oordeel van verweerster dat de verklaringen van de appellant behandelend artsen over een verband met mishandeling en/of ondervoeding tijdens het kampverblijf niet op enigerlei wijze zijn onderbouwd. De enkele omstandigheid dat appellant tijdens zijn militaire dienst een keer vanwege rugklachten medisch is gezien is - gelet op het ontbreken van ieder gegeven over de aard daarvan en op de omstandigheid dat vervolgens pas in 1980 diagnosestelling over de rugklachten heeft plaatsgevonden - onvoldoende om, met toepassing van de in artikel 7, tweede lid, van de Wet vervatte regeling van de omgekeerde bewijslast aan appellant het voordeel van de twijfel te geven.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

24.05