Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
06-4236 WAO en 06-4293 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Aangepast CBBS. Besluit na 1 juli 2005. Signaleringen toegelicht in eerste aanleg. Geen grondslag voor vernietiging bestreden besluit zonder instandlating rechtsgevolgen. Medische grondslag voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4236 WAO en 06/4293 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 juni 2006, 05/4262 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Door mr. P.P.M. Heeren, advocaat te Roosendaal, is namens betrokkene ook hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is tevens een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2008. Voor betrokkene is verschenen mr. L.E. Swart, kantoorgenoot van mr. Heeren, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.J.J.M. van Eijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 april 2005 heeft het Uwv de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 22 juni 2005 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene was afgenomen naar minder dan 15%.

1.1. Bij besluit van 29 september 2005, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 april 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft zich kunnen stellen achter de medische grondslag van het bestreden besluit. De arbeidskundige grondslag heeft evenwel geen genade kunnen vinden in de ogen van de rechtbank. De rechtbank heeft daarbij in de eerste plaats gewezen op een door haar op 3 januari 2006 gewezen uitspraak, LJN: AU9030, waarin is geoordeeld dat met de door het Uwv naar aanleiding van uitspraken van de Raad van 9 november 2004, LJNummers: AR4716, 4717, 4718, 4719 en 4721, aan het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) aangebrachte aanpassingen, niet alle door de Raad in genoemde uitspraken geconstateerde onvolkomenheden die aan het systeem kleven, zijn opgeheven. Dat zou naar het oordeel van de rechtbank wel het geval zijn indien in of bij de functionele mogelijkhedenlijst de normaalwaarden inclusief interpretatiekader van het CBBS-handboek zou worden weergegeven en indien ten aanzien van alle signaleringen (M, G en *) wordt verklaard waarom een functie ondanks een signalering op dat punt geschikt kan worden geacht.

2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen informatie inzake normaalwaarden inclusief interpretatiekader was verstrekt, terwijl evenmin op dat moment alle signaleringen waren verklaard. Een tijdens de beroepsfase alsnog verstrekte toelichting op de signaleringen is door de rechtbank buiten aanmerking gelaten, omdat deze niet uiterlijk bij het bestreden besluit is gegeven.

2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het arbeidskundige deel van dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit is voor het overige in stand gelaten.

2.3. Aan het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene, waarbij het Uwv tevens dient te betrekken hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak van 23 maart 2006, LJN: AV6543, omtrent de maximering van de urenomvang van de maatman.

2.4. De rechtbank heeft, ten slotte, aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen de vernietiging door de rechtbank van het arbeidskundige deel van het bestreden besluit. Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen de accordering door de rechtbank van de medische grondslag van het bestreden besluit.

4. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, reeds in rechte geen stand kan houden in verband met de daarin uitgesproken gedeeltelijke vernietiging - namelijk voor wat betreft de arbeidskundige grondslag daarvan - van het bestreden besluit. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 16 maart 2005, LJN: AT1852, is de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet aan te merken als een zelfstandig deelbesluit en kan een besluit tot vaststelling van het recht op een WAO-uitkering dan ook niet in zoverre worden vernietigd.

4.1. Voorts overweegt de Raad, voor zover hier van belang, dat hij in zijn uitspraken van 12 oktober 2006, LJNummers: AY9971, 9973, 9974, 9976 en 9980, blijk heeft gegeven van het oordeel dat met de naar aanleiding van de hiervoor vermelde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aan het CBBS aangebrachte systeemaanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals deze zijn beschreven in de uitspraken van 9 november 2004, in voldoende mate zijn opgeheven. De Raad heeft het genoegzaam aannemelijk geacht dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde, alle onderkent en signaleert.

4.2. Verder heeft de Raad in zijn uitspraak van 22 februari 2008, LJN: BC4826, als zijn opvatting neergelegd dat het voor de vereiste inzichtelijkheid en toetsbaarheid van een met behulp van het CBBS tot stand gekomen schattingsbesluit niet nodig is dat een lijst wordt meegezonden met normaalwaarden inclusief interpretatiekader.

4.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de door het Uwv in hoger beroep aangevoerde grieven deels terecht zijn voorgedragen.

4.4. Niet slaagt evenwel de grief van het Uwv die is gericht tegen de opvatting van de rechtbank dat alle signaleringen dienen te worden voorzien van een toelichting waaruit blijkt waarom de betreffende functie (toch) passend is te achten. In zijn hiervoor genoemde uitspraken van 12 oktober 2006 heeft de Raad dienaangaande geoordeeld dat de arbeidsdeskundige niet zonder motivering door het systeem aangebrachte signaleringen “M” mocht omzetten in een “G”. Alle signaleringen, zo heeft de Raad overwogen, dienen van een afzonderlijke toelichting te worden voorzien waaruit blijkt waarom de betreffende functie toch als passend kan worden aangemerkt, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts nodig zal zijn.

4.5. Ten slotte overweegt de Raad in dit kader nog het volgende. In zijn uitspraak van 7 maart 2008, LJN: BC7279, heeft de Raad onder meer als volgt overwogen:

“De Raad heeft in zijn uitspraken van 9 november 2004 overwogen dat in reeds lopende zaken waarin zich met betrekking tot het voorliggende bestreden besluit problemen zouden voordoen die voortvloeien uit de door de Raad geconstateerde onvolkomenheden van het CBBS, dat besluit in beginsel om die reden zal moeten worden vernietigd, waarbij geldt dat indien het besluit in de loop van de procedure in beroep of in hoger beroep alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of motivering, aanleiding kan bestaan om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

Voorts heeft de Raad overwogen dat zulks voor toekomstige besluiten evenwel anders ligt: de Raad achtte het in de rede te liggen dat het Uwv, teneinde soortgelijke problemen voor de toekomst te voorkomen, na kennis te hebben genomen van het in zijn uitspraken neergelegde oordeel, ervoor kiest om niet te volstaan met het verstrekken van afzonderlijke toelichtingen en motiveringen in zich aandienende individuele gevallen, maar tot een zekere systeemaanpassing over te gaan, teneinde de gesignaleerde onvolkomenheden op een meer gestructureerde wijze op te heffen. Een dergelijke systeemaanpassing werd blijkens het verhandelde ter zitting van de zijde van het Uwv in beginsel ook mogelijk geacht. De Raad heeft overwogen het redelijk te achten voor een dergelijke - ingrijpende - systeemaanpassing een termijn aan het Uwv te gunnen welke niet voor 1 juli 2005 zou eindigen.

Dat betekent, zo heeft de Raad daaraan toegevoegd, dat rekening ermee dient te worden gehouden dat schattingsbesluiten die vanaf 1 juli 2005 worden genomen, indien en voor zover daaraan gebreken kleven die voortvloeien uit de geconstateerde onvolkomenheden van het CBBS, niet langer op vooromschreven wijze zullen kunnen worden gerepareerd door middel van het alsnog verstrekken van een nadere onderbouwing, toelichting en/of motivering. Die besluiten zullen dan in daarvoor in aanmerking komende gevallen worden vernietigd zonder instandlating van de rechtsgevolgen.

De aangekondigde mogelijkheid van vernietiging zonder instandlating van de rechtsgevolgen van schattingsbesluiten die worden genomen vanaf 1 juli 2005, had derhalve - naar ook aldus door appellant is begrepen - uitsluitend betrekking op de situatie waarin appellant ervoor zou kiezen c.q. ervoor zou hebben gekozen niet over te gaan tot structurele aanpassing van het CBBS. Indien in die situatie een vanaf genoemde datum genomen schattingsbesluit niet uiterlijk ten tijde van het nemen daarvan zou zijn voorzien van de noodzakelijke toelichting en motivering, zou niet langer mogen worden gerekend op instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit. Aldus diende de aangekondigde vernietiging van besluiten genomen vanaf 1 juli 2005 als een aansporing om appellant te bewegen tot systeemaanpassing.

In zijn - na de aangevallen uitspraak gewezen - uitspraken van 12 oktober 2006 (LJN AY9971, 9973, 9974, 9976 en 9980) heeft de Raad, voor zover hier van belang, blijk gegeven van het oordeel dat met de door appellant na de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aan het CBBS aangebrachte aanpassingen in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de in die uitspraken verwoorde kritiek van de Raad.

Gegeven deze systeemaanpassing, die voor 1 juli 2005 zijn beslag heeft gekregen, heeft de in de uitspraken van 9 november 2004 aangekondigde vernietiging van op en na 1 juli 2005 genomen schattingsbesluiten zonder de mogelijkheid van instandlating van de rechtsgevolgen, zijn doel en betekenis verloren. Anders dan de rechtbank meent, kan aan de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 dan ook geen grondslag (meer) voor een dergelijke vernietiging worden ontleend.”

4.6. Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte met een beroep op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 de in de fase van het beroep van de zijde van het Uwv bij monde van zijn bezwaararbeidsdeskundige gegeven nadere toelichting op de passendheid van de functies buiten aanmerking heeft gelaten.

4.7. Ten aanzien van het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad als volgt. Namens betrokkene is in hoger beroep wederom - slechts - naar voren gebracht dat nader onderzoek had dienen te worden ingesteld naar zijn psychische gezondheidssituatie en naar zijn klachten op dat terrein. De rechtbank heeft overwogen dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen naar voren komt dat deze artsen op de hoogte waren van de door betrokkene gestelde klachten, waaronder met name zijn psychische klachten. Er is voorts informatie ontvangen van de - nieuwe - huisarts van betrokkene. Betrokkene heeft verklaard dat hij, behalve voor het verkrijgen van medicijnen, tot 17 augustus 2005 niet is gezien door zijn huisarts. Betrokkene is voorts in januari 2003 uitgeschreven bij de psychiater en is sindsdien niet (meer) onder behandeling van een psychiater geweest. De grief dat het Uwv niet over recente gegevens beschikte aangaande de psychische gezondheidssituatie van betrokkene treft volgens de rechtbank - aldus - geen doel.

4.8. De Raad kan zich volledig vinden in deze overwegingen van de rechtbank. De Raad maakt die overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank tot de zijne. Nu voorts moet worden vastgesteld dat betrokkene ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van de voor hem vastgestelde medische beperkingen, komt de Raad met de rechtbank tot de slotsom dat de medische grondslag van de onderhavige schatting als juist kan worden aanvaard.

4.9. Daarvan uitgaande staat voor de Raad tevens genoegzaam vast dat de bij de schatting betrokken functies passend zijn te achten voor betrokkene. Met het in beroep ingebrachte rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 maart 2006, in samenhang bezien met het in hoger beroep overgelegde nadere rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 maart 2008, is naar het oordeel van de Raad alleszins afdoende gemotiveerd dat de functies, wat betreft de daaraan verbonden belasting, binnen de mogelijkheden van betrokkene blijven.

4.10. Omdat het bestreden besluit evenwel eerst met genoemde rapporten geacht kan worden op een deugdelijke arbeidskundige grondslag te berusten, ziet de Raad aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.11. In het licht van al het vorenoverwogene en daarbij nog mede in aanmerking genomen dat uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 maart 2008 en de daarbij behorende bijlagen naar voren komt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met juistheid is bepaald op minder dan 15%, bestaat tevens aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:73, derde lid, van de Awb geheel in stand te laten.

4.12. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get) M. Lochs.

TM