Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
06/5893 WW, 07/3776 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nader besluit. Berekening van de wettelijke rente met betrekking tot de verschuldigde invorderingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5893 WW

07/3776 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 oktober 2006, 06/606 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 mei 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Bij besluit van 7 mei 2007 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft naar aanleiding hiervan een reactie ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 oktober 2007. Aldaar zijn partijen, waarvan appellant met voorafgaand bericht, niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend. Het Uwv heeft vervolgens een vraag van de Raad beantwoord, waarop appellant heeft gereageerd.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 april 2008, waar partijen -het Uwv met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Als gevolg van de toewijzing door de kantonrechter van een loonvordering van appellant op zijn voormalige werkgever heeft appellant over de periode van 8 september 1995 tot en met 29 maart 1996 alsnog recht op loon gekregen. In verband hiermee heeft de rechtsvoorganger van het Uwv bij besluit van 2 juni 1997 het recht van appellant op WW-uitkering over die periode beëindigd en het onverschuldigd betaalde bedrag van f. 18.720,62 (€ 8.495,05) bruto, ofwel f. 16.619,68 (€ 7.541,68) netto van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 11 juli 2005 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld tot een totaalbedrag van € 5.000,-- betalingen van diens huidige werkgever - in het kader van door het Uwv onder deze gelegd beslag - te hebben ontvangen, zodat een vordering op appellant resteert van € 1.836,69 vermeerderd met € 788,51 aan rente, in totaal derhalve een bedrag van

€ 2.625,20.

Bij besluit van 24 maart 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 juli 2005 gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Onder overlegging van een gespecificeerde berekening heeft het Uwv uiteengezet dat, nadat in november 2002 van appellant een bedrag van € 1.385,98 was ontvangen en na verrekening van het nadien ontvangen totaalbedrag van € 5.000,--, per juli 2005 een vordering op appellant resteerde van € 1.836,69 (inclusief € 681,-- aan invorderings-kosten). De verschuldigde wettelijke rente is door het Uwv herberekend en is gewijzigd vastgesteld op een bedrag van € 662,65, waarbij in het dictum van het besluit

€ 622,65 is vermeld.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Ten aanzien van de grief van appellant dat het door hem betaalde bedrag van € 1.385,99 door het Uwv niet zou zijn afgeboekt van de vordering heeft de rechtbank overwogen dat dit bedrag reeds was verdisconteerd in het besluit van 17 februari 2003, waarbij is vastgesteld dat de toen openstaande vordering nog € 6.155,89 bedroeg en dat, nu tegen het daarop genomen besluit in bezwaar geen beroep is ingesteld, in rechte vaststaat dat dit bedrag correct is vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met het bestreden besluit, het daarbij behorende berekeningsschema en in hetgeen in het verweerschrift is uiteengezet, de overige beroepsgronden van appellant voldoende heeft weerlegd. Ten aanzien van de invorderingskosten heeft de rechtbank vastgesteld dat deze niet afzonderlijk worden betwist en ten aanzien van de te betalen wettelijke rente heeft de rechtbank de door het Uwv overgelegde berekening voor juist gehouden.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat niet vaststaat dat het door hem betaalde bedrag van € 1.385,99 in de berekening is verdisconteerd. In verband met de berekening van de hoogte van de wettelijke rente dient het Uwv volgens appellant inzichtelijk te maken wanneer de bedragen van de werkgever van appellant zijn ontvangen, terwijl ook de hoogte van de in rekening gebrachte wettelijke rente door hem wordt betwist. Voorts heeft hij gesteld dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Bij het gewijzigde besluit op bezwaar van 7 mei 2007 heeft het Uwv het besluit van 24 maart 2006 in zoverre gewijzigd dat voor de berekening van de wettelijke rente met betrekking tot de verschuldigde invorderingskosten (als vervolg op de beslagleggings-brief van 30 juni 2003) dient te worden uitgegaan van de aanvangsdatum 1 juli 2003 in plaats van 1 maart 2003. Dat leidt ertoe dat de hoogte van de verschuldigde wettelijke rente nader is vastgesteld op een bedrag van € 645,80. Omdat in het dictum van het besluit op bezwaar van 24 maart 2006 abusievelijk € 622,65 is vermeld is dit bedrag aan appellant in rekening gebracht.

5.2. De Raad merkt het door het Uwv genomen besluit van 7 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet geheel is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellant zal de Raad, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, het beroep mede gericht achten tegen het besluit van 7 mei 2007.

5.3. Nu het Uwv zijn besluit van 24 maart 2006 in zoverre niet heeft gehandhaafd, heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak over dat besluit. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.4. Met betrekking tot het besluit van 7 mei 2007 overweegt de Raad het volgende.

5.5. Ten aanzien van de grief van appellant dat niet vaststaat dat het door hem betaalde bedrag van € 1.385,99 in de berekening is verdisconteerd, overweegt de Raad dat zowel in het bestreden besluit als in het verweerschrift van het Uwv in hoger beroep genoegzaam is aangetoond dat dit bedrag op de totale schuld van appellant in mindering is gebracht. Door appellant zijn geen andersluidende financiële gegevens in geding gebracht die voor de Raad aanleiding zouden kunnen zijn om de gespecificeerde berekening van het Uwv met betrekking tot de nog openstaande schuld en de hoogte van de invorderingskosten voor onjuist te houden.

Wat betreft de renteberekening over de openstaande schuld is het Uwv, anders dan appellant kennelijk beoogt, niet uitgegaan van de data waarop de werkgever inhoudingen op het salaris van appellant heeft gedaan, maar van de data waarop het Uwv de betalingen van de werkgever van appellant heeft ontvangen, van welke data een overzicht is gegeven in het primaire besluit van 11 juli 2005. Naar het oordeel van de Raad is dit een juiste berekeningswijze en zijn de data waarop de bedragen zijn ontvangen en de renteberekening door het Uwv voldoende inzichtelijk gemaakt.

5.6. Met betrekking tot de grief van appellant dat het Uwv op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van invordering had dienen af te zien, omdat rekening had moeten worden gehouden met het feit dat de deurwaarder die belast was met de inning van een door de kantonrechter aan appellant toegewezen bedrag op 17 december 1998 failliet is gegaan, overweegt de Raad dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten gevolge hiervan niet in staat was de vordering geheel of gedeeltelijk te voldoen. Mitsdien kan ook deze grief niet slagen.

5.7. In antwoord op een vraag van de Raad heeft het Uwv bij brief van 13 december 2007 medegedeeld dat ten onrechte de invorderingskosten, die per 1 juli 2003 bij appellant in rekening zijn gebracht, zijn verhoogd met de wettelijke rente omdat hiervoor geen publiekrechtelijke grondslag bestaat. De verschuldigde rente over de hoofdsom is mitsdien door het Uwv opnieuw berekend en vastgesteld op € 541,11. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het besluit van 7 mei 2007 in rechte geen stand kan houden, voor zover dat betrekking heeft op het verschuldigde bedrag aan wettelijke rente.

Nu de Raad niet is gebleken dat de herberekening van de wettelijke rente door het Uwv niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden en appellant de juistheid van die berekening niet met andersluidende financiële gegevens of een andere berekening heeft bestreden, ziet de Raad aanleiding om met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het verschuldigde rentebedrag vast te stellen op € 541,11.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 322,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, in totaal derhalve € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 mei 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 mei 2007, voor zover dat betrekking heeft op het verschuldigde bedrag aan wettelijke rente;

Stelt de door appellant verschuldigde wettelijke rente vast op een bedrag van € 541,11;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 142,-- (€ 37,-- + € 105,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.J.A. Reinders.

BvW