Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
07-2383 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is bij appellant een in rechte te honoreren verwachting gewekt dat hem een WW-uitkering zal worden toegekend indien hij binnen zes maanden na het einde van de dienstbetrekking terugkeert in Nederland?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2383 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 maart 2007, 06/4971 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 mei 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 17 januari 2005 tot 17 januari 2006 in dienst geweest van [naam werkgever]. Op 17 januari 2006 is appellant naar Zuid-Afrika vertrokken om vrijwilligerswerk te verrichten. Op 23 juni 2006 is hij in Nederland teruggekeerd. Per 26 juni 2006 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het Uwv 26 juni 2006 als eerste werkloosheidsdag aangemerkt en appellant WW-uitkering ontzegd op de grond dat hij in de 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid, niet in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. Dit besluit is - na bezwaar - bij het bestreden besluit van 29 augustus 2006 gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de eerste werkloosheidsdag terecht bepaald op 26 juni 2006 en voldoet appellant daarmee niet aan de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW opgenomen referte-eis. De rechtbank acht de enkele stelling van appellant, dat een medewerker van het Uwv hem telefonisch heeft meegedeeld dat hij zes maanden na zijn ontslag nog recht zou hebben op een WW-uitkering, onvoldoende om een wettelijke bepaling opzij te zetten.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant niet gericht is tegen het oordeel van de rechtbank en het Uwv dat appellant niet voldoet aan de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW opgenomen referte-eis, maar dat het hoger beroep zich beperkt tot de vraag of bij appellant een in rechte te honoreren verwachting is gewekt dat hem een WW-uitkering zal worden toegekend indien hij binnen zes maanden na het einde van de dienstbetrekking terugkeert in Nederland. De Raad zal zijn beoordeling daartoe beperken.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de beschikbare gegevens niet is komen vast te staan dat vanwege het Uwv bij appellant zodanige verwachtingen zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. De Raad onderschrijft de daarop betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak en voegt daaraan het volgende toe.

4.3. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat het Uwv de door appellant gestelde informatie heeft verstrekt, betekent dit nog niet dat bij appellant gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, aangezien daarvoor ook van belang is welke vragen appellant het Uwv heeft voorgelegd. Naar het oordeel van de Raad is in de onderhavige zaak onvoldoende komen vast te staan dat appellant bij zijn vraagstelling aan het Uwv duidelijk heeft gemaakt dat hij direct aansluitend aan het einde van zijn arbeidsovereenkomst als vrijwilliger in Zuid-Afrika zou gaan werken, terwijl dit gegeven voor het ontstaan van het recht op een WW-uitkering en de mogelijkheid tot herleving van dat recht van doorslaggevend belang is. Met betrekking tot de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van 20 augustus 2007 en de e-mail van 10 april 2007 overweegt de Raad dat daarmee geen bewijs wordt geleverd van de inhoud van het telefoongesprek van eind november 2006.

4.4. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW