Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
07/6098 ALGEM
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Privaatrechtelijke dienstbetrekking gastdames. Gezagsverhouding. Persoonlijke dienstverrichting. Contraprestatie voor de verrichte werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6098 ALGEM

08/985 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 september 2007, 07/112 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Veldman, advocaat te Peize, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 januari 2008 zijn namens appellante nadere stukken in het geding gebracht.

Op 7 februari 2008 is bij de Raad ingekomen het door het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 5 oktober 2007.

Bij brief van 11 februari 2008 is namens appellante gereageerd op voormeld besluit van 5 oktober 2007.

Bij faxberichten van 20 en 24 maart 2008 heeft appellante de Raad nadere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. Veldman, voornoemd. Voor het Uwv is verschenen mr. D.M. Rensema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.

Naar aanleiding van een krantenbericht, waarin melding werd gemaakt van de exploitatie van een bordeel/privé-huis in een pand te [vestigingsplaats], is vanwege het Uwv een onderzoek ingesteld. Gebleken is dat in dit pand gevestigd was de eenmanszaak van appellante, laatstelijk onder de naam [naam eenmanszaak] met als bedrijfsomschrijving “verhuur van bedrijfsruimten aan kleine ondernemers”. In het kader van het onderzoek zijn twee gastdames gehoord, alsmede appellante en haar echtgenoot.

Op basis van het ingestelde onderzoek heeft het Uwv aangenomen dat de gastdames in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot appellante werkzaam zijn geweest. Aangezien nimmer loonopgave was gedaan, heeft het Uwv appellante bij besluiten van 16 juni 2005 correctienota’s doen toekomen over de jaren 2000 tot en met 2004, ten bedrage van in totaal € 84.565,10.

Bij besluit van 27 december 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de correctienota’s in zoverre gegrond verklaard, dat bij de berekening van de verschuldigde premies uitgegaan dient te worden van de door de boekhouder van appellante aangeleverde gegevens, waarbij de nettolonen dienen te worden gebruteerd met het anoniementarief. Voor het overige heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak met beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht het beroep van appellante tegen het besluit van 27 december 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv opnieuw dient te beslissen op het bezwaarschrift van appellante met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Met betrekking tot de verzekeringsplicht van de gastdames en de daaruit voortvloeiende premieplicht voor appellante heeft de rechtbank in haar uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder, het volgende overwogen:

“Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Ziektewet, Werkloosheidswet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en -voor zover van toepassing- de Ziekenfondswet is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat.

Onder privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt verstaan de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Daarvan is sprake indien drie elementen in de dienstbetrekking aanwezig zijn, te weten de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de verplichting tot loonbetaling en een gezagsverhouding.

Of deze elementen in een concrete situatie aanwezig zijn, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is voor het al dan niet bestaan van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding niet beslissend hoe die arbeidsverhouding door partijen wordt gekwalificeerd of wat partijen daarmee beogen, doch de werkelijke aard van de verhouding tussen partijen. Dat eiseres, zoals zij ter zitting van de rechtbank heeft gesteld, geen verzekeringsplichtige arbeidsverhouding met de prostituees heeft willen creëren is dan ook niet doorslaggevend bij de beoordeling van het onderhavige geval.

De rechtbank volgt het standpunt van eiseres dat verweerder zijn besluit niet heeft kunnen baseren op de in het dossier aanwezige getuigenverklaringen niet. De getuigenverklaringen, zoals die in de rapportage zijn weergegeven, vormen de neerslag van gesprekken die in het kader van het onderzoek hebben plaatsgevonden met een aantal relevante betrokkenen. Het op deze wijze vergaren van de relevante feiten en omstandigheden ontmoet in de regel geen bezwaar uit bestuursrechtelijk oogpunt. Dat enkele getuigenverklaringen geanonimiseerd zijn, maakt dat oordeel niet anders. Hier komt nog bij dat het procesdossier en het verhandelde ter zitting geen enkel aanknopingspunt bieden voor de stelling dat de feiten en omstandigheden anders zijn dan in de rapportage vermeld.

Op grond van deze onderzoeksgegevens is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat er ten tijde in geding vanaf 1 oktober 2000 sprake is geweest van een min of meer geordende geïntegreerde organisatie tussen eiseres en de gastdames om enerzijds eiseres in staat te stellen haar privé-huis middels gebruik van de aanwezige kamers optimaal op basis van werkplanning en toegespitst op snel specifiek gebruik te exploiteren en anderzijds de gastdames de gelegenheid te bieden hun diensten tegen betaling voor de klanten zo adequaat mogelijk met de nodige sturing en onder toezicht te verlenen.

Die sturing en dat toezicht concretiseerden zich hierin dat algemene tariefstellingen voor de gastdames bestonden die onder meer vooraf aan de klanten kenbaar werden gemaakt voor de verschillende soorten diensten, dat er regulering bestond door inhoudelijke inroostering met werktijden, zodat eiseres een bezetting kon houden gedurende de openingstijden en dat een gelegaliseerd vergunningsstelsel met toezicht op naleving van de eisen van de algemene politieverordening en het voorkomen van strafbare feiten bestond. Daarnaast bestond er screening op aspecten als nationaliteit en leeftijd van de gastdames. Eiseres vervulde als exploitant onmiskenbaar een betekenende en overheersende rol naar de gastdames toe en de condities waaronder zij werkzaam waren en bezat als zodanig door middel van de bedrijfsleiding (beheerder) de mogelijkheid tot bijsturing, controle en toezicht van een reguliere werkgever.

De zienswijze van eiseres dat haar belang en bemoeienis alleen gelegen zijn in een positie als kamerverhuurder zonder verder belang bij de activiteiten die door de gastdames ontplooid werden, strookt niet met de aard van de verrichtingen in haar privé-huis noch met de mogelijkheid tot gebruik van de huis-/woonkamer alsmede een keuken en het aanbieden van gebruikshulpmiddelen. Hierbij is tevens van belang de aard van de verleende vergunning voor exploitatie van een gelegaliseerde seksinrichting en de op de werving van zowel klanten als gastdames gerichte reclame-uitingen van eiseres. Dat de gastdames vrij waren in hun taakvervulling en het maken van bijkomende afspraken met de klanten, zoals eiseres stelt, laat onverlet dat zij toch telkens wanneer zij ingeschakeld werden onderworpen waren aan de algemene regels en wijze van uitvoering order toezicht die voor ieder van hen gold. De rechtbank acht daarbij aannemelijk dat ernstige klachten omtrent niet nakoming van gemaakte afspraken tussen gastdames en klanten e.a. uiteindelijk bij (de bedrijfsleiding van) eiseres terechtkwamen als eindverantwoordelijke voor de goede gang van zaken in haar privé-huis. De rechtbank acht door een en ander het bestaan van een gezagsrelatie tussen eiseres enerzijds en de gastdames anderzijds in de zin bovenvermelde sociale werknemersverzekeringswetten voldoende gegeven. Het standpunt van de belastingdienst dat sommige gastdames als zelfstandige moeten worden beschouwd kan aan deze conclusie geen afbreuk doen.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting door de gastdames voldoende vaststaat. Gelet op de specifieke arbeidsomstandigheden en het feit dat toekomstige gastdames pas na een gesprek met eiseres en/of de bedrijfsleider geselecteerd werden om in de onderneming van eiseres te gaan werken is willekeurige vervanging van een betrokkene zonder enige invloed van eiseres ondenkbaar.

Daarenboven kunnen de betalingen op basis van algemene tariefstellingen die de gastdames voor hun diensten ontvingen na aftrek van kamerhuur aan eiseres niet anders worden beschouwd dan als een directe beloning als contraprestatie voor verrichte arbeid, die niet zonder het organisatorisch kader en de beschikbaar gestelde voorzieningen door eiseres als beheerder en werkgever gerealiseerd hadden kunnen worden. De aparte weg waarlangs het betalingsverkeer tussen de klanten verliep doet aan het karakter van die betalingen geen afbreuk. Dit laatste geldt evenzeer voor binnenskamers overeengekomen aanvullende betalingen voor bijkomende verrichtingen.

Nu hierdoor aan alle elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in het geval van de gastdames is voldaan, is er sprake van verzekeringsplicht van rechtswege.”

De rechtbank heeft het besluit van 27 december 2007 evenwel niet in stand gelaten voor wat betreft de brutering van de verdiensten van de gastdames, zoals aangegeven door de boekhouder van appellante. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat, nu niet is gebleken dat de belastingdienst is overgegaan tot naheffing dan wel daartoe zal overgaan, niet gesproken kan worden van een voordeel uit dienstbetrekking bestaande uit niet afgedragen loonheffing.

Appellante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de gastdames tot haar in privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad volgt de rechtbank in grote lijnen voor wat betreft de aanwezigheid van een gezagsverhouding. Het moge zo zijn dat in vergelijking met vergelijkbare gevallen er bij appellante sprake was van een minder gestructureerde bedrijfsvoering, enige structuur was niet afwezig. Ook al valt op de verklaringen afgelegd in het kader van het onderzoek het enige af te dingen, deze verklaringen, waaronder die van appellante en haar echtgenote bieden hiervoor voldoende steun. Het moge ook zo zijn dat appellante, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet beschikte over een vergunning van de gemeente, zij diende zich wel te houden aan de gemeentelijke voorschriften met betrekking tot inrichtingen als de hare. Dit betekent dat het aan enige vorm van toezicht niet kan hebben ontbroken. Voorts overweegt de Raad dat appellante voor haar inkomen mede afhankelijk was van de arbeidsinzet van de gastdames. Appellante ontving € 25,-- per half uur dienstverrichting. Ook gelet hierop moet worden aangenomen dat enige vorm van gezaguitoefening tot de mogelijkheden heeft behoord. Dat gezagsuitoefening zich in de praktijk niet deed gevoelen, doet hieraan niet af.

Voor wat betreft de aspecten van loonbetaling en persoonlijke dienstverrichting sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. Het moge zo zijn dat de verdiensten van de gastdames bestonden uit het bedrag dat zij van een klant ontvingen onder aftrek van € 25,-- per half uur, dit neemt niet weg dat er sprake was van een contraprestatie voor de verrichte werkzaamheden.

Uit het vorenstaande volgt dat ook de Raad van oordeel is dat er sprake was van een privaatrechtelijke arbeidsverhouding tussen appellante en de gastdames. Daarmee is gegeven dat appellante gehouden was premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten af te dragen. Dat de belastingdienst een ander standpunt heeft ingenomen, kan gelet op de eigen verantwoordelijkheid van het Uwv niet tot een ander oordeel leiden.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad overweegt voorts dat op grond van artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het hoger beroep van appellante geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het in rubriek I genoemde besluit van 5 oktober 2007. Bij dit besluit heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak zich op het standpunt gesteld dat de verdiensten van de gastdames als netto loonbetalingen moet worden aangemerkt en deswege dienen te worden gebruteerd, zij het niet met het anoniementarief.

Ter zitting van de Raad heeft het Uwv zich evenwel op het standpunt gesteld dat er geen plaats is voor brutering en het besluit van 5 oktober 2007 dan ook niet wordt gehandhaafd. Reeds hierom slaagt het beroep van appellante tegen het besluit van

5 oktober 2007 en dient dit besluit te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor door een derde verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2007 gegrond en vernietigt dit besluit;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in hoger beroep gestorte griffierecht van

€ 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

IJ