Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
04/6411 WAO, 04/7254 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kan gemeente, als voormalige overheidswerkgeefster, als belanghebbende worden aangemerkt? Gezien dwingende koppeling WAO-uitkering en wachtgeld rechtstreeks belang bij besluitvorming.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/170
USZ 2008/264 met annotatie van Lanting
AB 2008, 280 met annotatie van B.B.B. Lanting
RSV 2008, 256
NJB 2008, 1469
ABkort 2008/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6411 WAO

04/7254 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Almelo van 4 november 2004, 03/1004 (hierna: aangevallen uitspraak 1) onderscheidenlijk 03/800 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de gemeente Enschede (hierna: gemeente)

Datum uitspraak: 30 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2.

De gemeente heeft in beide gedingen een gecombineerd verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide gedingen heeft - gevoegd - plaatsgevonden op 14 november 2006. Namens appellant is verschenen mr. K.D. van Someren. De gemeente heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Höfte-Nijen Twilhaar en

mr. M. Pasman-Masselink.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek in beide gedingen niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft vervolgens [naam partij] met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding met procedurenummer 04/6411 WAO deel te nemen. Op het daartoe bestemde antwoordformulier, ingekomen bij de Raad op 15 februari 2007, heeft hij meegedeeld dat hij niet als partij aan het geding wil deelnemen.

De Raad heeft [naam partij 2] eveneens deze gelegenheid geboden in de procedure met nummer 04/7254 WAO. De betreffende enveloppe is door TNT Post evenwel retour gezonden met de aantekening “vertrokken” en na een tweede aanbieding met de aantekening “niet afgehaald”. Vervolgens is in de Staatscourant van 14 januari 2008 aankondiging gedaan van de ingelegenheidstelling aan [naam partij 2], waarop hij niet heeft gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen in beide gedingen toestemming verleend tot het doen van een uitspraak zonder nadere zitting.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de aangevallen uitspraken en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Aan [naam partij] (hierna: [naam partij 1]), die tot 1 januari 1999 in dienst was van de gemeente, is in verband met zijn ziekmelding op 10 december 1996 met ingang van 7 januari 1997 een zogenoemde WAO-conforme uitkering toegekend. Appellant heeft bij besluit van 2 april 2003 (hierna: primair besluit 1) de uitkering van [naam partij 1] ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 juni 2003 ingetrokken.

[naam partij 2] (hierna: [naam partij 2]), die tot 1 september 1993 in dienst was van de gemeente, genoot laatstelijk in verband met zijn ziekmelding op 26 maart 1990 een WAO-uitkering, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft bij besluit van 20 februari 2003 (hierna: primair besluit 2) deze WAO-uitkering met ingang van 21 april 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.1. In de tegen de primaire besluiten 1 en 2 ingediende bezwaarschriften heeft de gemeente aangevoerd belanghebbende te zijn bij deze besluiten omdat [naam partij 1] en [naam partij 2] als gevolg van deze besluiten recht hebben op een wachtgelduitkering op grond van de Enschedese Arbeidsvoorwaardenregeling (EAR), welke uitkering geheel ten laste komt van de gemeente als eigen risicodraagster in deze. De gemeente heeft derhalve een financieel belang bij de primaire besluiten 1 en 2.

2.2. Appellant heeft het bezwaar van de gemeente tegen het primaire besluit 1 bij besluit van 2 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard omdat de gemeente noch als eigen risicodraagster noch als potentiële pemba-werkgever noch als actuele werkgever als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het primaire besluit 1. Om dezelfde redenen heeft appellant het door de gemeente tegen het primaire besluit 2 gemaakte bezwaar bij besluit van 21 augustus 2003 (hierna: bestreden besluit 2)

niet-ontvankelijk verklaard en daaraan nog toegevoegd dat sprake is van een afgeleid belang.

3.1. In beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 heeft de gemeente haar in de bezwaarprocedure voorgedragen standpunt omtrent de ontvankelijkheid van haar bezwaren in essentie herhaald. De gemeente heeft daaraan in haar ter zitting van de rechtbank op 26 oktober 2004 voorgedragen pleitnota toegevoegd dat de gemeente thans niet voldoet aan de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria voor ontvankelijkheid van haar bezwaar tegen een WAO-besluit, zoals genoemd in de bestreden besluiten 1 en 2, maar dat een verruiming van de jurisprudentie op zijn plaats is in deze specifieke situatie. Volgens de gemeente valt namelijk niet in te zien dat de voormalige werkgever wel belang kan worden geacht te hebben bij confrontatie met de kosten van een WAO-uitkering of van de gedifferentieerde premie, maar niet ingeval van confrontatie met een beroep van een voormalig werknemer op een wachtgelduitkering om reden van de intrekking of herziening van de WAO-uitkering. Voorts acht de gemeente wel degelijk een rechtstreeks belang aanwezig bij de onderhavige WAO-besluiten. Op grond van de EAR ontstaat namelijk van rechtswege een recht op wachtgeld met ingang van de dag dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage van 80 % wordt vastgesteld.

3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 de beroepen van de gemeente gegrond verklaard, de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigd en bepaald dat appellant nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraken is overwogen. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent vergoeding van griffierecht aan de gemeente. De rechtbank oordeelde dat de gemeente met betrekking tot de primaire besluiten 1 en 2 als belanghebbende in zin van artikel 1:2 van de Awb moet worden aangemerkt. In dit verband overwoog de rechtbank in de aangevallen uitspraken 1 en 2 het volgende:

“Immers volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie onder meer RSV 2002/127) wordt, gelet op het belang van een heldere eenvoudig toe te passen invulling van het belanghebbende-begrip, indien een werkgever bezwaar maakt dan wel beroep instelt tegen een besluit aangaande aanspraken van één van zijn werknemers op een WAO-uitkering, de aanwezigheid van een voldoende actueel, concreet en rechtstreeks belang bij dat besluit verondersteld, zodat eiseres als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb aangemerkt dient te worden. Deze categorale erkenning van de “actuele” werkgever als belanghebbende staat derhalve los van de tegen het bestreden besluit aangevoerde bezwaren. Dus ook als het bezwaar van de werkgever slechts is gericht op het privaatrechtelijke gevolg van de verplichting tot loondoorbetaling aan de betrokken werknemer dat voortvloeit uit intrekking van de WAO-uitkering, wordt hij geacht belanghebbende te zijn”.

Volgens de rechtbank dient dit in de onderhavige gevallen niet anders te worden beoordeeld ook al zijn [naam partij 1] onderscheidenlijk [naam partij 2] sinds 1 januari 1999 respectievelijk 1 september 1993 niet meer in dienst van de gemeente. De wachtgelduitkering, waarop [naam partij 1] en [naam partij 2] na intrekking dan wel herziening van hun WAO-uitkeringen, aanspraak kunnen maken, komt, aldus de rechtbank, immers geheel ten laste van de gemeente, zodat de primaire besluiten 1 en 2 voor de gemeente als voormalig werkgever vergelijkbare belastende financiële gevolgen heeft als de op een particuliere werkgever rustende verplichting van loondoorbetaling bij een nog bestaande dienstbetrekking na intrekking van de WAO-uitkering.

4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de gemeente geen rechtstreeks bij de primaire besluiten 1 en 2 betrokken belang heeft in verband met de verplichting tot betaling van wachtgeld, maar een indirect belang. De verplichting tot betaling van wachtgeld vloeit immers niet rechtstreeks uit de wet voort, maar daarvoor is een apart besluit tot toekenning dan wel wijziging van het wachtgeld noodzakelijk. Volgens appellant is er - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 maart 2004 (JB 2004/188) - dan ook een essentieel verschil met de situatie, waarin een overheidswerkgever een werkloosheidsuitkering zelf moet betalen en om die reden belanghebbende is bij het daarop betrekking hebbende besluit. De gemeente is, aldus appellant, ook niet als actuele werkgever aan te merken als categoraal belanghebbende bij de primaire besluiten 1 en 2, omdat zij niet de actuele werkgever is van [naam partij 1] en [naam partij 2].

4.2. De gemeente bepleit in haar verweerschrift de aangevallen uitspraken 1 en 2 te bevestigen en anders dan appellant wel degelijk een vergelijking met de situatie van de overheidswerkgever in de even vermelde uitspraak van de Raad tot uitgangspunt te nemen.

5.1. De Raad stelt wat betreft de tijdigheid van het maken van bezwaar door de gemeente tegen de besluiten van het Uwv van 20 februari 2003 en 2 april 2003 op 17 juni 2003 en 8 september 2003 vast dat deze besluiten destijds niet zijn verzonden aan de gemeente, dat de gemeente eerst kennis heeft genomen van het besluit van 20 februari 2003 nadat [naam partij 2] in juni 2003 contact had opgenomen met haar na verwijzing door het Uwv eind mei 2003 naar haar om een werkloosheidsuitkering aan te vragen en dat de gemeente eerst op 20 augustus 2003 kennis nam van het besluit van 2 april 2003 nadat [naam partij 1] op die dag contact met haar opnam. Onder deze omstandigheden ziet de Raad in lijn met zijn uitspraak van bijvoorbeeld 22 maart 2004 (LJN AO7429) geen aanleiding de bezwaren - reeds - wegens niet-tijdigheid daarvan niet-ontvankelijk te achten.

5.2. De Raad stelt voorts vast dat in deze gedingen alleen aan de orde is of de gemeente als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de primaire besluiten 1 en 2. De rechtbank heeft immers in de aangevallen uitspraken 1 en 2, gelet ook op de aanmerking daarin van alleen de gemeente als partij, uitsluitend over de ontvankelijkheid van de gemeente van haar bezwaar tegen deze besluiten geoordeeld en de gemeente heeft niet zelfstandig hoger beroep ingesteld in verband met de vraag of ook het college van burgemeester en wethouders in dezen als belanghebbende heeft te gelden.

5.3. De Raad onderschrijft in grote lijnen de overwegingen en de conclusie van de rechtbank ten aanzien van de hiervoor omschreven rechtsvraag, welke in deze gedingen centraal staat. De Raad tekent daarbij aan dat in deze gedingen aan de orde is de situatie dat de gemeente als voormalige overheidswerkgeefster na de besluitvorming door het Uwv ten aanzien van de WAO-uitkeringen van haar voormalige werknemers wordt geconfronteerd met lasten voortvloeiend uit de aanspraak van die voormalige werknemers op wachtgeld. Deze aanspraak op wachtgeld berust op de EAR, een algemeen verbindend voorschrift dat verplicht is vastgesteld krachtens artikel 125, tweede lid, van de Ambtenarenwet. In hoofdstuk 10 van de EAR met het opschrift “WACHTGELD” is in artikel 10:6 voor de ingangsdatum en de duur van het wachtgeld een koppeling gelegd met de datum met ingang waarvan een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt vastgesteld op een lager percentage dan 80%. In verband met deze - dwingende - koppeling valt niet in te zien dat in deze situatie geen sprake is van een rechtstreeks belang van de gemeente bij de onderhavige besluitvorming van het Uwv ten aanzien van haar voormalige werknemers [naam partij 2] en [naam partij 1]. Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat de situatie van de gemeente aldus niet vergelijkbaar is met het geval van degene die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de arbeidsongeschiktheid dan wel de situatie van de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraar, omdat de verplichtingen in die gevallen niet rechtstreeks wordt beïnvloed door de besluitvorming van het Uwv over de WAO-uitkering.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraken 1 en 2 dienen te worden

bevestigd.

5.5. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van de gemeente ziet de Raad in lijn met zijn uitspraak van 11 april 2006 (LJN: AX3243) geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in beide gedingen een griffierecht van elk € 409,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

CVG