Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06-5079 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. is. Gezondsheidstoestand is zorgvuldig beoordeeld. FML voldoet in voldoende mate recht aan de beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5079 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 juli 2006, 05/4530 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.K. Jansen, werkzaam als Adviseur Sociale Zekerheid bij De Groot Heupner B.V. te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2008. Namens appellante zijn verschenen L.A.M. de Groot Heupner, eveneens werkzaam bij De Groot Heupner B.V., en haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Leeuwen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft laatstelijk full-time gewerkt als magazijnmedewerker en administratief medewerker. Zij heeft zich op 20 augustus 1994 ziek gemeld in verband met bewustzijnsdalingen en flauwvallen. Aan appellante is met ingang van

19 augustus 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In verband met de herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is appellante op 19 januari 2005 onderzocht door de verzekeringsarts J.K. van Essen. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden. De voor appellante geldende beperkingen in verband met haar psychische gesteldheid en spierklachten zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellante met inachtneming van de voor haar geldende beperkingen in staat is een aantal functies te vervullen, waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 3 april 2005 ingetrokken.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2005. Bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke is na heroverweging van de medische grondslag van het primaire besluit tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de vastgestelde beperkingen in overeenstemming zijn met objectiveerbare fysieke en psychische problematiek van appellante. Bezwaararbeidsdeskundige A. Goumare heeft de voor appellante geselecteerde functies beoordeeld en heeft in zijn rapport van 18 oktober 2005 gemotiveerd dat onder meer de functies van productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en textielproductenmaker, exclusief textielproductiemachines bedienen (SBC-code 111160) in overeenstemming zijn met de beperkingen van appellante. Bij besluit van

24 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 februari 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit akkoord bevonden en het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat haar beperkingen door de verzekeringsarts onjuist zijn vastgesteld en dat zij niet in staat is de betreffende functies te vervullen. Voorts is appellante van mening dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de medicatie die zij gebruikt. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling is appellante van mening dat deze niet voldoet aan de eisen die de Raad heeft gesteld in de uitspraken van 9 november 2004, onder meer LJN: AR4717, en van 12 oktober 2006, onder meer LJN: AY9971. Volgens appellante is niet aannemelijk dat de onderhavige productiefuncties in een aangepast tempo kunnen worden verricht, terwijl niet kan worden volgehouden dat daarbij geen sprake is van lawaaierige werkomstandigheden.

4.1.1. De Raad heeft in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de gezondheidstoestand van appellante niet met de noodzakelijke zorgvuldigheid hebben beoordeeld, noch dat de opgestelde FML in onvoldoende mate recht doen aan haar beperkingen. De verzekeringsarts is na bestudering van het dossier, het afnemen van de anamnese en na onderzoek van de psychische gezondheidstoestand van appellante tot de conclusie gekomen dat appellante lijdt aan een angststoornis (paniekstoornis) alsmede een persoonlijkheidstoornis. Voorts heeft deze arts in verband met de opgave van appellante van haar spierklachten, met name van de nek- en schouderspieren, een daarop gericht lichamelijk onderzoek verricht. Tevens zijn de gynaecologische problemen en de hoofdpijnklachten onderkend. In verband met de psychische problematiek is, zoals weergegeven in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) en rubriek 2 (sociaal functioneren) van de FML, een groot aantal beperkingen aangenomen. Gelet op de spierklachten heeft de verzekeringsarts appellante zware fysieke arbeid afgeraden en daartoe in de FML een aantal beperkingen opgenomen.

4.1.2. Naar aanleiding van de opgave van appellante in bezwaar dat bij recent onderzoek de diagnose borderlinestoornis is vastgesteld, heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat die diagnose niets afdoet aan de beperkingen die op basis van het klachtenpatroon en de persoonlijke en sociale anamnese zijn gesteld. De bezwaarverzekeringsarts G.P.J. Kanter heeft de medische gegevens, die tijdens de procedure in eerste aanleg zijn overgelegd, beoordeeld en is daarbij tot de conclusie gekomen dat die geen aanleiding geven voor meer beperkingen. Deze arts heeft tevens beoordeeld of de (bijwerkingen van de) medicatie die appellante op 3 april 2005, de datum hier in geding, gebruikte tot meer beperkingen aanleiding gaf, maar heeft daartoe onvoldoende aanwijzingen gevonden.

4.1.3. Uit de beschikbare medische gegevens en hetgeen appellante heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat de gezondheidsproblemen van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. De Raad merkt daarbij op dat bij het neuropsychologisch onderzoek, dat is verricht in verband met de problemen van appellante met het verwerken van schriftelijke informatie, geen aanwijzingen zijn gevonden dat daaraan cognitieve stoornissen of intellectuele beperkingen ten grondslag liggen.

4.1.4. Gelet op de beschikbare medische gegevens acht de Raad zich voldoende voorgelicht over de gezondheidstoestand van appellante en ziet derhalve geen reden, zoals namens appellante ter zitting is verzocht, voor het raadplegen van een deskundige.

4.2.1. Met betrekking tot het door het Uwv gehanteerde CBBS verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraken van 9 november 2004, onder meer LJN AR4717, zijn uitspraken van 12 oktober 2006, onder meer LJN AY9971, zijn uitspraken van 23 februari 2007, onder meer LJN AZ9153, en zijn uitspraak van 6 april 2007, LJN BA2860.

4.2.2. De Raad heeft - kort gezegd - overwogen dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem bij de bepaling van (de mate van) arbeidsongeschiktheid, maar dat het een aantal onvolkomenheden vertoonde. Voorts is de Raad tot het oordeel gekomen dat de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals beschreven in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 met de aanpassing van het CBBS in voldoende mate zijn opgeheven. In dit verband heeft de Raad overwogen het voldoende aannemelijk te achten dat het aangepaste CBBS, zowel bij matchende als bij niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde - welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij of zij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde - alle onderkent en signaleert.

4.2.3. In zijn uitspraak van 1 februari 2008, 06/2150 WAO, gepubliceerd onder LJN: BC3237, heeft de Raad overwogen dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan om dit oordeel niet langer juist te achten vanwege het gebruik in het CBBS van het begrip bijzondere belasting.

4.2.4. Voor de Raad staat voldoende vast dat in gevallen waarin de betrokkene beperkt wordt geacht op een bepaald aspect, het zich voordoen van een bijzondere belasting in een functie op datzelfde aspect er toe leidt dat die functie, zo deze niet automatisch door het systeem is verworpen, op het resultaat eindselectie steeds van een signalering wordt voorzien, ten teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van de betrokkene op het betreffende punt.

4.2.5. Eveneens staat voldoende vast dat in gevallen waarin de betrokkene op een bepaald aspect niet beperkt wordt geacht en dus belastbaar wordt geacht op het niveau van de normaalwaarde, het zich voordoen in een functie van een bijzondere belasting op datzelfde aspect, mede gegeven de aan het begrip bijzondere belasting in het CBBS toegekende specifieke betekenis, in het algemeen niet betekent dat sprake is van een mogelijke, ten onrechte niet gesignaleerde, overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde, zijnde de normaalwaarde.

4.3. De Raad kan het standpunt van appellante dat de hiervoor onder 1.3 genoemde functies niet in overeenstemming zijn met haar beperkingen, niet onderschrijven. In dat verband kan de Raad zich in grote lijnen verenigen met de overwegingen van de rechtbank dienaangaande. Bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk is in het rapport van 21 april 2008, deels onder verwijzing naar het rapport van bezwaararbeidsdeskundige M.J.W.M. Willemse van 10 maart 2006, ingegaan op de grief van appellante dat in deze functies niet in een aangepast tempo kan worden gewerkt en dat daarbij sprake is van lawaaierige werkomstandigheden. De Raad is van oordeel dat toereikend is gemotiveerd dat de onderhavige functies, waarbij geen sprake is van een hoog en evenmin van een gedwongen handelingstempo, in een aangepast tempo kunnen worden uitgevoerd alsmede dat daarbij geen sprake is van duidelijke lawaaiige arbeidsomstandigheden.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM