Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
07-3371 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing (hernieuwde) aanvraag voor de toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden. Geen sprake van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3371 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant] (Indonesië) (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 17 april 2007, onderwerp BZ 7603, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2008. Daar is appellant - zoals tevoren bericht - niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1935 te Lawang in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 1994 bij verweerster een aanvraag ingediend op grond van de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 12 juni 1995 op de grond dat er geen sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel leidend tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. Ook na gemaakt bezwaar heeft verweerster dat standpunt gehandhaafd in haar besluit van 27 februari 1997. Blijkens de aan dat besluit ten grondslag liggende stukken heeft verweerster geoordeeld dat een deel van de psychische klachten van appellant (enkele kenmerken van PTSS) met het oorlogsgeweld verband houden maar geen invaliditeit opleveren en dat zijn lichamelijke klachten (nek- en buikklachten en duizeligheid) duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan.

1.2. Bij brief van 27 september 2005 heeft appellant op grond van de uitbreiding van de toepassing van de uitzonderingsbepaling met betrekking tot territorialiteit een hernieuwde aanvraag ingediend voor de toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden ingevolge artikel 19 van de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster in het voetspoor van haar geneeskundig adviseur afgewezen bij besluit van 22 december 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond dat er bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld.

1.3. Appellant kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij heeft in dit verband gewezen op het feit dat bij hem ten onrechte nooit is vastgesteld dat hij invalide is. Voorts heeft hij gewezen op het feit dat zijn zuster en zijn ex-echtgenote beiden wel erkend zijn en een uitkering hebben.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Bij het onder 1.1. genoemde besluit van verweerster van 12 juni 1995 is reeds geoordeeld dat gelet op de ten dienste staande gegevens verblijf in het extremistenkamp Tawangsari, Lawang in voldoende mate is komen vast te staan en dat appellant is getroffen door ongeregeldheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet. Het verzoek om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking gebracht te worden voor een periodieke uitkering en voorzieningen is afgewezen omdat verweerster in navolging van het advies van haar medisch adviseur concludeerde dat ook al zouden alle door appellant genoemde oorlogsgebeurtenissen bij de beoordeling worden betrokken er bij appellant geen sprake is van lichamelijk of psychisch letsel leidend tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.

2.2. Blijkens de gedingstukken in het thans aan de orde zijnde geding, is het standpunt van verweerster in overeenstemming met het advies van de geneeskundig adviseur R.J. Roelofs van 15 december 2006, welk advies berust op eigen onderzoek en een uitgebreid medisch dossier. Uit genoemd advies komt naar voren dat de bij appellant aanwezige met het oorlogsgeweld samenhangende psychische klachten (enkele kenmerken van PTSS) geen beperkingen opleveren in zijn dagelijks functioneren zodat niet gesproken kan worden van een blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. Wat betreft de nader aangevoerde lichamelijke klachten van appellant, te weten de littekenbreuk, de hart- en vaatklachten en de prostaatklachten heeft de arts Roelofs geoordeeld dat deze klachten niet in het vereiste verband met het oorlogsgeweld kunnen worden gebracht, maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan.

2.3. De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit medisch advies deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de gedingstukken heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster ingenomen standpunt dat bij appellant geen sprake is van tot blijvende invaliditeit leidend psychisch letsel ten gevolge van oorlogsgeweld. Voorts heeft de Raad in de gedingstukken geen aanwijzingen gevonden om te twijfelen aan de volledigheid van het door de arts Roelofs verrichte onderzoek. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de geneeskundig adviseur in de bezwaarfase, de arts R.H. van Gorkum, het advies van de arts Roelofs heeft onderschreven en in zijn rapportage aandacht heeft geschonken aan verschillende psychiatrische rapporten onder andere ten behoeve van de WAO-uitkering.

2.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD