Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06-5912 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vermogensherziening. Herziening en terugvordering WUV-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5912 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 14 juli 2006, onderwerp BZ 46288, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2008. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1934, is vervolgde en uitkeringsgerechtigd in de zin van de Wet.

1.2. Bij brief van 15 februari 2006 heeft verweerster appellant meegedeeld dat zijn verzoek om vermogensherziening is afgewezen en heeft zij hem nader bericht over de door haar genomen berekeningsbeslissing van 28 februari 2006, waarbij de aan appellant toekomende periodieke uitkering over de jaren 2000 tot en met 2003 is herzien en over de jaren 2004 en 2005 is herberekend. Hierbij is vastgesteld dat als gevolg van de gewijzigde berekening aan appellant een bedrag van in totaal € 59.461,02 teveel is uitbetaald. Een namens appellant tegen het besluit van 15 februari 2006 gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft zich in beroep als in bezwaar gekeerd tegen beide onderdelen van het bestreden besluit.

3. De Raad overweegt ten aanzien van de afwijzing van de vermogensherziening het volgende.

3.1. Blijkens de gedingstukken is aan appellant ingaande 1 februari 1983 een periodieke uitkering ingevolge de Wet toegekend. Bij de berekening van deze uitkering werden geen inkomsten uit vermogen in aanmerking genomen. In december 1990 is appellants moeder overleden. Verweerster heeft naar aanleiding van de aan appellant in verband met dit overlijden toekomende vermogenstoeval het totale vermogen per 1 januari 1991 bepaald op fl. 208.680,54. Op basis van dit bedrag heeft verweerster inkomsten uit vermogen op appellants uitkering in mindering gebracht. Namens appellant is in september 1995 een verzoek ingediend om met toepassing van artikel 19, vijfde lid, onder c, van de Wet de omvang van het voor de berekening van zijn periodieke uitkering vastgestelde vermogen te herzien omdat hij door bestaande schulden, onder andere aan Amscrediet en aan de belastingdienst, geen revenuen heeft kunnen krijgen uit de na het overlijden van zijn moeder aan hem toegevallen erfenis noch uit het aan hem toebehorende onroerend goed [adres] te [plaatsnaam]. Dit verzoek is door verweerster afgewezen bij besluit van 6 december 1996, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 1997. Een namens appellant tegen laatstgenoemd besluit ingediend beroep is bij de uitspraak van de Raad van 28 oktober 1999, reg. nr. 97/8062 WUV, ongegrond verklaard.

3.2. Bij besluit van 15 februari 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster een hernieuwd verzoek van appellant om herziening van het voor de berekening van zijn uitkering vastgestelde vermogen afgewezen op de grond dat door hem geen relevante gegevens zijn overgelegd, op grond waarvan verweerster gehouden zou zijn tot herziening van dit vermogen over te gaan.

3.3. De Raad stelt vast dat met zijn onder 3.2. genoemde uitspraak tussen partijen vast is komen te staan hoe het vermogen van appellant per 1 januari 1991 is samengesteld en wat de waarde is van de diverse op dat moment aanwezige vermogensonderdelen. De gemachtigde van appellant heeft bij de onderhavige aanvraag en in bezwaar tegen de afwijzing van deze aanvraag gewezen op fouten en onjuistheden die bij de eerdere vaststelling van appellants vermogen naar haar mening zijn opgetreden en voorts op het feit dat appellant nog steeds geen revenuen heeft uit de erfenis van zijn moeder. Verweerster heeft hierin naar het oordeel van de Raad terecht geen aanleiding gezien tot herziening van het vastgestelde vermogen over te gaan, nu het niet gaat om nieuwe, nog niet eerder in de beoordeling betrokken omstandigheden.

3.4. De Raad deelt voorts de opvatting van verweerster dat van de zijde van appellant noch bij zijn aanvraag, noch in bezwaar tegen de afwijzing van deze aanvraag relevante nieuwe gegevens naar voren zijn gebracht, die tot herziening van het vermogen aanleiding hadden moeten geven. De Raad is voorts van oordeel dat appellant voldoende tijd is gegund in bezwaar zijn standpunt te onderbouwen. De bezwaarfase dient niet ertoe om een bezwaarde tijd te gunnen voor het aanbrengen van nieuwe gegevens die op zich tot een nieuw verzoek om herziening zouden kunnen leiden.

3.5. In beroep is gewezen op een vonnis van 13 december 2006 van de rechtbank Amsterdam, waarbij de verdeling van de erfenis van de moeder van appellant is vastgesteld en waarbij tevens is vastgesteld welke kosten zijn gemaakt ter verdeling van deze erfenis. Deze omstandigheden kan en zal de Raad niet betrekken bij zijn oordeel over het thans bestreden besluit, nu dit vonnis van de rechtbank van latere datum is dan het bestreden besluit. Het staat appellant vrij op basis van deze gegevens bij verweerster andermaal een verzoek in te dienen om toepassing van artikel 19, vijfde lid, onder c, van de Wet. Hiertoe is hij, naar blijkt uit het verhandelde ter zitting, inmiddels overgegaan.

4. De Raad overweegt ten aanzien van de in het bestreden besluit begrepen terug-vordering het navolgende.

4.1. De aan appellant toekomende periodieke uitkering over de jaren 2000 tot en met 2003 heeft verweerster herzien op grond van het bepaalde in artikel 61, eerste lid, van de Wet en besloten het teveel betaalde ingevolge artikel 61a, eerste lid, onder a, van de Wet terug te vorderen. Verweerster is van opvatting dat sprake is van opzet of grove nalatigheid als in dat artikellid bedoeld, omdat appellant op de inlichtingenformulieren over die jaren heeft verzuimd op te geven dat hij Social Security benefits ontvangt. De Raad onderschrijft die opvatting. Vaststaat dat appellant op deze inlichtingenformulieren geen melding heeft gemaakt van het ontvangen van Social Security benefits. Daarmee heeft hij in strijd gehandeld met de ingevolge artikel 40 van de Wet op hem rustende inlichtingenplicht. Een dergelijke handelwijze wordt door de Raad aangemerkt als grove nalatigheid in de zin van de Wet en de Raad heeft geen aanleiding in het geval van appellant anders te oordelen.

4.2. Namens appellant is in dit verband gewezen op een door hem in 1996 ingezonden verklaring waaruit blijkt dat hij vanaf zijn 65e verjaardag Social Security zal aanvragen en voorts op de omstandigheid dat het inlichtingenformulier over 2000 is ingevuld door zijn eerdere gemachtigde, een ex- werknemer van de Pensioen- en Uitkeringsraad en dat de latere inlichtingenformulieren door appellant op dezelfde manier zijn ingevuld. Om die redenen zou aan appellant geen opzet of grove nalatigheid te verwijten zijn.

4.3. De Raad kan appellant in die opvatting niet volgen. Naar het oordeel van de Raad is het de verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde om te zorgen voor een juiste opgave van alle relevante inkomsten op de daartoe bestemde en toegezonden inlich-tingenformulieren. Hierbij acht de Raad het van geen belang of de uitkeringsgerechtigde in persoon of bij gemachtigde opereert. De onder 4.3. genoemde in 1996 ingezonden verklaring kan evenmin afdoen aan deze informatieplicht van appellant.

5. Het vorenstaande houdt in dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD