Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06-3021 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan het vereiste van verzet van derden: Het boek werpt niet een zodanig ander licht op de (waardering van) het handelen van de moeder van appellant dat zij thans als verzetsdeelneemster zou moeten worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3021 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 26 april 2006, kenmerk 86499, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007, waar appellant is verschenen en verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets. Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend en heeft de Raad aan verweerster schriftelijk enkele vragen gesteld. Deze heeft daarop bij brief van 17 oktober 2007 geantwoord. Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 17 april 2008, waar appellant is verschenen en verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berkel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1935 te Amsterdam, heeft in juli 2004 aan verweerster verzocht om erkenning als slachtoffer van het verzet van derden. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het verzet van zijn moeder, [naam moeder], die in oktober 1941 in zijn bijzijn is gearresteerd en later is overgebracht naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück. Na de oorlog is de moeder van appellant teruggekeerd, maar was zij zwaar getraumatiseerd. Het leven van haar en haar twee kinderen, waaronder appellant, is hierdoor ernstig verstoord geraakt. Aanleiding voor de aanvraag was de publicatie in oktober 2003 van het boek “Leonie, een dubbelspionne” van de historicus G. Aalders. Hoewel appellant het met de inhoud van het boek niet op alle punten eens is, wordt hierin naar zijn mening wel aangetoond dat zijn moeder deelneemster was aan het verzet.

1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 13 mei 2005, welke afwijzing na daartegen gemaakt bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit. Verweerster heeft daartoe overwogen dat degene die psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van het verzet van derden aanspraak kan maken op buitengewoon pensioen ingeval hij met toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 juli 1978 (Stb. 422), verder: het Besluit, wordt gelijkgesteld met de categorie van personen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 3, van datzelfde besluit, te weten zij die in verband met het verzet van derden lichamelijk letsel hebben opgelopen. Op laatstgenoemde categorie van personen is de Wet van overeenkomstige toepassing en in geval van gelijkstelling is de Wet daarmee eveneens van overeenkomstige toepassing op degene die psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van verzet van derden. Verweerster heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de basisvoorwaarde om tot gelijkstelling over te kunnen gaan, namelijk het vereiste van verzet van derden. Hierbij is overwogen dat op een aanvraag van [naam moeder] door de toenmalige Buitengewone Pensioenraad, de rechtsvoorganger van verweerster, bij besluit van 9 januari 1964 is beslist dat zij niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van de Wet. De Stichting

1940-1945 heeft desgevraagd geen aanleiding gezien voor het instellen van een aanvullend onderzoek, noch voor herziening van het eerder ten aanzien van de moeder van appellant ingenomen standpunt. Verweerster heeft op die grond en omdat zij in de thans bekende gegevens geen aanleiding heeft gevonden om terug te komen van de beslissing van 9 januari 1964 afwijzend beslist.

2. Appellant heeft in beroep zijn in bezwaar naar voren gebrachte standpunt herhaald, inhoudende dat op basis van de thans bekende gegevens omtrent zijn moeder, zoals deze naar voren komen in het onder 1.1. genoemde boek, moet worden geconcludeerd dat zijn moeder destijds deelneemster was aan het verzet.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of verweerster op goede gronden heeft geoordeeld dat de moeder van appellant niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet.

4.2. Onder verzet als hiervoor genoemd wordt verstaan verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet. Daarvan is - voor zover hier van belang - sprake indien een persoon tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa door daad of houding heeft deelgenomen aan het binnenlands verzet in de betekenis van het bewust inbreuk hebben gemaakt op de militaire en ideologische doelstellingen van de bezetter.

4.3. De Raad stelt vast dat reeds in 1964 bij het onder 1.2. genoemde besluit van verweersters rechtsvoorganger op een aanvraag van de moeder van appellant om toekenning van buitengewoon pensioen op grond van de Wet negatief is beslist. Die weigering was gebaseerd op de grond dat zij niet behoorde tot deelnemers aan het verzet in de zin van de Wet. De Raad volgt verweerster in het oordeel, zoals nader toegelicht bij de onder I. genoemde brief van 17 oktober 2007, dat de uit het onder 1.1. genoemde boek naar voren komende gegevens, gezien het totaalbeeld, niet een zodanig ander licht werpen op de (waardering van) het handelen van de moeder van appellant dat zij thans als verzetsdeelneemster zou moeten worden aangemerkt. Hierbij is van zwaarwegende betekenis dat de Stichting 1940-1945 in deze nieuwe gegevens geen aanleiding heeft gezien terug te komen van de in 1964 gegeven beslissing dat geen verklaring in de zin van artikel 24, eerste lid, van de Wet kon worden afgegeven. Voorts is ook naar het oordeel van de Raad op basis van de thans bekende gegevens niet alsnog gebleken van duidelijke, concrete daden van verzet van de moeder van appellante in de periode van mei 1940 tot haar arrestatie in oktober 1941 of tijdens haar internering in kamp Ravensbrück. De auteur van het boek heeft ten aanzien van de rol van de moeder van appellant zowel in de periode van haar vrijlating uit Duitse gevangenschap in oktober 1940 tot haar arrestatie in oktober 1941 als tijdens haar daarop volgende internering in kamp Ravensbrück expliciet geconcludeerd geen eenduidige conclusie te kunnen trekken.

4.4. Gezien het vorenstaande, bestaat geen grondslag voor toepassing van artikel 3 van het Besluit.

5. De onder 4. opgenomen overwegingen leiden de Raad tot de conclusie dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD