Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
07-4786 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Psychische klachten in verband met het overlijden van vader. Geen gelijkstelling met vervolgde. Verkrachting wordt in het kader van de Wet niet in de beoordeling meegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4786 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 5 juli 2007, onderwerp BZ 47033, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2008. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigden P.P. [D.], wonende te Arnhem, en F.A. [R.], wonende te Middelburg. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering alsmede voorzieningen op grond van de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 11 april 2006. Daarbij is overwogen dat appellante geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet, en dat er geen grond is haar met de vervolgde gelijk te stellen, omdat er in haar geval geen sprake is van een materiële toekenning op grond van de Wet.

1.2. Verweerster heeft hierbij aanvaard dat de omstandigheden waaronder appellante de oorlog heeft meegemaakt, met name het overlijden van haar vader tijdens vervolging, met vervolging op één lijn zijn te stellen. Verweerster heeft voorts in overeenstemming met het advies van haar geneeskundig adviseur aanvaard dat bij appellante sprake is van psychische klachten die redelijkerwijs in verband staan met het overlijden van haar vader. Nu deze klachten niet zodanige beperkingen opleveren dat appellante in aanmerking kan worden gebracht voor de door haar gevraagde periodieke uitkering of voorzieningen, heeft verweerster geen aanleiding gezien om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.

1.3. Een door appellante tegen dit besluit ingediend bezwaar is bij verweersters besluit van 17 augustus 2006 ongegrond verklaard.

1.4. In oktober 2006 heeft appellante zich telefonisch in verbinding gesteld met een medewerkster van verweerster en aan haar verteld dat zij door een Japanner is verkracht. Vervolgens heeft appellante onder verwijzing naar dit telefoongesprek bij verweerster andermaal een aanvraag op grond van de Wet ingediend.

1.5. In het kader van deze aanvraag heeft verweerster opnieuw een medische beoordeling laten plaatsvinden. In overeenstemming met het advies van haar geneeskundig adviseur heeft verweerster het standpunt ingenomen dat appellante op grond van de psychische klachten die in verband staan met het overlijden van haar vader niet in aanmerking komt voor een periodieke uitkering of een voorziening, waardoor het geen klaarblijkelijke hardheid is haar niet met de vervolgde gelijk te stellen. Verweerster heeft op grond van deze overweging de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 15 maart 2007. Een door appellante tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet - voor zover van belang - kan verweerster de persoon die tijdens de oorlogsjaren in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk stellen, indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dat brengt mee dat de Raad een besluit als hier in geding slechts met terughoudendheid kan toetsen.

2.2. Verweerster hanteert bij toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet de, in vaste rechtspraak van de Raad aanvaarde, beleidsregel dat bij afwezigheid van een materieel belang geen aanleiding bestaat voor toelating tot de Wet door gelijkstelling met de vervolgde.

2.3. De Raad heeft in de gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt van verweerster voor onjuist te houden. Hij overweegt daartoe dat noch uit het ten behoeve van appellantes eerste aanvraag vanwege verweerster gehouden medisch onderzoek, noch uit de van de behandelende sector verkregen informatie blijkt van zodanige beperkingen bij appellante dat sprake is van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten of een medische noodzaak tot het treffen van voorzieningen.

2.4. Met betrekking tot de door appellante aan haar aanvraag ten grondslag gelegde verkrachting verwijst de Raad primair naar zijn uitspraak van heden in een geding tussen appellante en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, reg. nr. 07/4792 WUBO. Voorts verwijst de Raad tot voorlichting van appellante naar het door verweerster ingediende verweerschrift, waarin is aangegeven dat deze verkrachting in het kader van de Wet niet in de beoordeling kan worden meegenomen. Dit standpunt acht de Raad juist. Gesteld noch gebleken is dat deze verkrachting in verband is te brengen met de voor toepassing van de Wet relevante criteria, te weten ras, geloof, wereldbeschou-wing of homoseksualiteit.

2.5. Het beroep van appellante moet gezien het vorenstaande ongegrond verklaard worden.

3. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD