Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
07-4792 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. De Raad van oordeel dat in het verhaal van appellante zodanige inconsistenties zitten dat geen grond aanwezig is tot het laten instellen van medisch onderzoek ter verdere verificatie van het door appellante gestelde seksueel misbruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4792 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 5 juli 2007, onderwerp BZ 7690, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslacht-offers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2008. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigden [D.], wonende te Arnhem en [R.], wonende te Middelburg. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1937 te Djember in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend op grond van de Wet. Daarbij heeft appellante gesteld dat zij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië direct betrokken is geweest bij bombardementen te Blitar, tijdens de Japanse bezetting alsmede tijdens de Bersiap-periode heeft moeten vluchten naar Djember en vervolgens tijdens de Bersiap-periode beschietingen heeft meegemaakt te Djember.

1.2. Bij besluit van 11 april 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 september 2006, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen van deze gebeurtenissen onder de werking van de Wet kan worden gebracht.

2.1. In oktober 2006 heeft appellante zich telefonisch in verbinding gesteld met een medewerkster van verweerster en deze verteld dat zij door een Japanner is verkracht. Volgens appellante heeft deze gebeurtenis plaatsgevonden toen het gezin inwoonde bij de grootouders [D.] in Blitar en haar moeder in verband met de ophanden zijnde geboorte van haar jongste zusje in het ziekenhuis verbleef en zij alleen met haar vader thuis was. Haar vader werd buitengesloten en kon haar niet helpen. Na afloop is haar vader door de Japanners meegenomen en later in de oorlog tijdens krijgsgevangenschap in Siam overleden. Vervolgens heeft appellante onder verwijzing naar dit telefoongesprek bij verweerster andermaal een aanvraag op grond van de Wet ingediend.

2.2. Verweerster heeft deze aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 14 februari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Verweerster heeft daarbij overwogen dat er teveel inconsistenties in het relaas van appellante zitten om tot de conclusie te komen dat er sprake is geweest van seksueel misbruik dat onder de werking van de Wet kan worden gebracht.

3. Appellante kan zich met het bestreden besluit niet verenigen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met verweerster is de Raad van oordeel dat in het verhaal van appellante zodanige inconsistenties zitten dat geen grond aanwezig is tot het laten instellen van medisch onderzoek ter verdere verificatie van het door appellante gestelde seksueel misbruik. De Raad neemt daarbij evenals verweerster in aanmerking dat appellante ten tijde van haar eerdere aanvraag in het geheel geen melding heeft gemaakt van het gestelde misbruik en voorts dat appellante ten tijde van het gebeuren, dat door haar rond de geboorte van haar zusje op 21 februari 1942 wordt geplaatst, nog zeer jong was - nog geen vijf jaar -, waardoor het gebeuren in zijn algemeenheid minder aannemelijk is te achten. In de verklaring van appellantes neef L. [D.] over deze gebeurtenis heeft verweerster, naar het oordeel van de Raad terecht, onvoldoende bevestiging gezien, nu onvoldoende helder is waar en wanneer deze neef en appellante tijdens de Japanse bezetting hebben verbleven en wanneer het verblijf van beiden bij hun gezamenlijke grootouders [D.] te Blitar moet worden geplaatst. Deze neef plaatst het begin van dit gezamenlijke verblijf na het uitbreken van de oorlog en derhalve na het door appellante aangegeven tijdstip van de gebeurtenis, te weten februari 1942. Ook overigens kent de Raad evenals verweerster onvoldoende bewijskracht toe aan de verklaring van deze neef om daarin een bevestiging van het seksueel misbruik van appellante te zien.

4.2. Het vorenstaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.

4.3. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD