Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06-550 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Medische en arbeidskundige grondslag voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/550 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 december 2005, 05/518 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV).

Datum uitspraak: 23 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen&Schreers advocaten te Roermond.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nader stuk ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Appellante is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Appellante is op 2 november 2000 wegens psychische klachten uitgevallen voor haar werk als parttime verkoopster mode. Aan haar is per 1 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%

1.2. Bij besluit van 9 september 2004 is de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per 22 september 2004 vastgesteld op 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 18 maart 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen eerstgenoemde besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat - gelet op de voorhanden medische gegevens en de daartegen ingebrachte algemeen bewoorde argumenten - zij geen aanknopingspunten heeft gevonden de bevindingen van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Voorts heeft zij overwogen dat appellante in beroep geen (nieuwe) medische stukken heeft overgelegd op grond waarvan tot een andersluidend oordeel zou moeten worden gekomen en niet is gebleken dat de reeds beschikbare inlichtingen onjuist zijn geïnterpreteerd, noch dat daaruit ten onrechte de conclusie is getrokken dat appellante, mits er rekening wordt gehouden met haar beperkingen, in staat is te achten tot deelname aan het arbeidsproces. De rechtbank leest in hetgeen de gemachtigde van appellante heeft aangevoerd slechts een niet op de situatie van appellante toegespitste weergave van onderdelen van artikel 2, tweede lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en kan daarin geen grondslag ontdekken voor de conclusie dat het medisch onderzoek van de kant van het Uwv onvoldoende of onjuist zou zijn geweest. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het arbeidskundig onderzoek en de daaruit getrokken conclusie dat appellante, gelet op de voor haar geldende medische beperkingen, in staat is te achten de geduide functies te vervullen.

3. In hoger beroep is namens appellante - wederom in zeer algemene bewoordingen - staande gehouden dat zij, gelet op haar lichamelijke en psychische klachten, geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van loonvormende arbeid heeft.

Ter onderbouwing van deze grief is verwezen naar informatie van psycholoog

E.M.M. Oostdam en neuropsycholoog i.o. F.W. Kuipéri van 15 juni 2006.

4. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de medische beoordeling door de (bezwaar-)verzekeringsarts zorgvuldig is geweest en stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake. De in hoger beroep overgelegde medische informatie roept bij de Raad geen twijfel op aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, daar het schrijven van de psycholoog en de neuropsycholoog i.o. informatie bevat die niet ziet op de situatie op de datum in geding maar op een periode ruim daarna en de door hen weergegeven bevindingen bovendien niet wezenlijk verschillen van die van de (bezwaar-)verzekeringsarts.

5. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante, gelet op de voor haar vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat geacht moet worden tot het verrichten van de door de arbeidsdeskundige aan haar voorgehouden functies van textielproductenmaker, productiemedewerkster textiel en productiemedewerkster industrie.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Uri.

DK