Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06/5388 WAO, 06/5666 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Verborgen beperkingen? Deugdelijke motivering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5388 WAO + 06/5666 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 augustus 2006, 05/254 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen partijen.

Datum uitspraak: 6 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak en hebben een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft bij brieven van 7 november 2006 zijn standpunt toegelicht en een nadere arbeidskundige rapportage van 6 november 2006 in het geding gebracht.

Namens betrokkene heeft L.A.M. de Groot Heupner te Wijchen bij brieven van 10 januari 2007 en 11 april 2008 nadere gronden aangevoerd. Tevens is het verslag van een op verzoek van betrokkene uitgevoerde verzekeringsgeneeskundige expertise ingezonden.

Bij brief van 20 december 2007 heeft het Uwv het commentaar van de verzekeringsarts van 22 januari 2007 op die verzekeringsgeneeskundige expertise ingezonden en een nadere arbeidskundige reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2008. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door L.A.M. de Groot Heupner. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 2 februari 2005 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv herroepen zijn besluit van 21 september 2004. Bij dit laatste besluit was de eerder aan betrokkene toegekende, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% berekende, WAO-uitkering met ingang van 22 november 2004 beëindigd, omdat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15% was afgenomen. Bij het besluit van 2 februari 2005 is de intrekking van de WAO-uitkering herroepen en in de plaats daarvan de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 22 november 2004 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

2.1 In de aangevallen uitspraak is de rechtbank uitgegaan van de juistheid van de zogenaamde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarin de belastbaarheid van betrokkene is vastgelegd. De medische beroepsgrond heeft de rechtbank uitdrukkelijk verworpen.

2.2 De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Zij heeft daartoe, samengevat, overwogen dat aan het gebruik van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) (nog steeds) fundamentele bezwaren kleven. Zij wijst in dat verband op de situatie dat voor een beoordelingspunt van de FML de normaalwaarde geldt, terwijl de functie op dat aspect een bijzondere belasting kent. In zo’n geval toont het resultaat functiebeoordeling niet (steeds) een markering. De geautomatiseerde vergelijking aan de hand van het CBSS biedt daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zekerheid dat geschikte functies worden geselecteerd. Ook de geautomatiseerde selectie op zogenaamde niet-matchende items staat naar het oordeel van de rechtbank niet (steeds) garant voor de presentatie van geschikte functies.

3 De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, door partijen niet bestreden, feiten.

3.1. Betrokkene was laatstelijk werkzaam als secretaresse in een volledige betrekking. Zij heeft dit werk op 15 december 2000 wegens whiplashklachten gestaakt. Na afloop van de wettelijke wachttijd is haar een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

3.2 In juli 2004 heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats gevonden. De resultaten daarvan zijn opgenomen in een verslag van van 14 juli 2004 en de voor betrokkene geldende belastbaarheid is beschreven in een FML van 14 juli 2004. De eerder aangenomen duurbeperking is komen te vervallen, maar de verzekeringsarts heeft (nog steeds) afwijkingen waargenomen ten aanzien van betrokkenes fysieke functioneren, in het bijzonder wat betreft de linkerschouderfunctie en de nekfunctie. Ook worden enige cognitieve beperkingen aangenomen. In de (kritische) FML is op een zevental onderdelen door de verzekeringsarts de normaalwaarde aangegeven, voorzien van de aantekening “links beperkt” c.q. “hoofd niet zeer langdurig in anteflectie”. Deze medische beoordeling is door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven, waarbij hij in zijn rapport van 27 december 2004 nog uitdrukkelijk aandacht heeft gevraagd voor de hiervoor vermelde aspecten waarvoor in de FML een normaalwaarde is opgenomen, voorzien van de geschetste, beperkende toelichtingen.

3.3 De bezwaararbeidsdeskundige acht betrokkene niet (meer) geschikt voor haar eigen werk. Haar medische beperkingen staan naar zijn oordeel echter niet in de weg aan het verrichten van werkzaamheden in functies in een viertal SBC codes. Hierdoor ontstaat een loonverlies van bijna 56%.

4. De Raad overweegt verder het volgende.

4. 1 Het hoger beroep van het Uwv ziet op de overwegingen in de aangevallen uitspraak dat het CBBS niet verzekert dat alle (mogelijke) overschrijdingen van de belastbaarheid in de resultaten kenbaar zijn. Dit hoger beroep slaagt. In zijn uitspraken van 12 oktober 2006, LJN AY9971, inzake de door het Uwv naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, LJN AR4717, aan het CBBS aangebrachte aanpassingen, heeft de Raad overwogen het genoegzaam aannemelijk te achten dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde - welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde - alle onderkent en signaleert, waarmee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen - de verzekerde zelf, diens eventuele rechtshulpverlener alsmede de rechter - op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de betreffende functies. De Raad verwijst in dit verband nog naar zijn uitspraak van

1 februari 2008, LJN BC3237.

4.2 Anders dan betrokkene is de Raad van oordeel dat haar medische beperkingen niet zijn onderschat. Het hierop betrekking hebbende geschilpunt ziet vooral op de vraag of een duurbeperking moet worden aangenomen. De Raad ziet geen aanleiding om de door de (bezwaar-) verzekeringsarts gemotiveerd gegeven ontkennende beantwoording voor onjuist te houden. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat een duidelijke medische onderbouwing voor de andersluidende opvatting van de door betrokkene geraadpleegde verzekeringsgeneeskundige ontbreekt. Over de overige voor betrokkene geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen lopen de opvattingen tussen de verschillende verzekeringsgeneeskundigen niet wezenlijk uiteen.

4.3 1 In zijn hiervoor genoemde uitspraak van 12 oktober 2006, LJN AY9971, heeft de Raad tevens overwogen dat van de zijde van het Uwv is benadrukt - en de Raad heeft zich daarbij aangesloten - dat de verzekeringsarts de (k)FML op juiste wijze dient in te vullen en daarbij in het bijzonder erop moet toezien dat een beperking ook daadwerkelijk als een beperking wordt opgenomen en niet wordt verstopt in een toelichting bij een overigens als normaalwaarde aangegeven score, daar anders het systeem die beperking bij de geautomatiseerde vergelijking niet als zodanig herkent.

4.3.2 Een wijze van invulling van de (k)FML waarbij niet alle door de verzekeringsarts van toepassing geachte beperkingen ook daadwerkelijk als een beperking worden ingevuld, maar worden opgenomen in een toelichting kan immers met zich brengen dat die beperkingen bij de functieselectie door het systeem ten onrechte buiten beeld blijven. Dat kan en zal doorgaans tot gevolg hebben dat in het Resultaat Functiebeoordeling geen gegevens worden getoond met betrekking tot de belasting van een functie op het betreffende onderdeel of de betreffende onderdelen en het niet controleerbaar is of mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de verzekerde op het betreffende onderdeel.

4.3.3 In een dergelijk geval bestaat aldus het risico dat de motivering van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan de hand van het eindresultaat functieselectie niet volstaat en dat een schattingsbesluit dat enkel op zodanige motivering is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand zal kunnen houden. Of in een voorliggend geval die conclusie dient te worden getrokken zal, naast andere zich concreet voordoende feiten en omstandigheden, afhangen van aantal en aard van de verborgen beperkingen, en het antwoord op de vraag of geen beperking dan wel een minder ernstige beperking is aangegeven.

4.4.1 Het CBBS is echter niet goed is afgestemd op bepaalde beperkingen, waaronder beperkingen als gevolg van (functionele) eenarmigheid, eenbenigheid, rolstoelafhankelijkheid, blindheid en doofheid. In die gevallen kan niet onverkort worden vastgehouden aan het uitgangspunt om alle bij de verzekerde vastgestelde beperkingen op de daartoe bestemde plaats in de (k)FML op te nemen. Teneinde te komen tot een selectie van een voldoende aantal potentieel geschikte functies, wordt dan gebruik gemaakt van een zogeheten functionele invulling van de (k)FML. De arbeidsdeskundige zal in dergelijke gevallen, in samenspraak met de verzekeringsarts, de aan de hand van die methode door het systeem geselecteerde functies - die selectie zal als gevolg van de evenbedoelde functionele invulling van de (k)FML veelal te ruim blijken te zijn – handmatig - nader dienen te beoordelen op daadwerkelijke passendheid.

4.4.2 Reeds in zijn uitspraak van 23 februari 2007, LJN AZ9153 heeft de Raad begrip getoond voor deze uitzonderingen op de regel dat alle relevante beperkingen op de daartoe bestemde plaats op de FML dienen te worden ingevuld en dat geen gebruik wordt gemaakt van in toelichtingen opgenomen (nadere) beperkingen. Ook dan blijft evenwel gelden dat op grond van het geheel van de voorliggende CBBS-gegevens, in samenhang bezien met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages, voldoende inzichtelijk en toetsbaar dient te zijn of de uiteindelijk als grondslag voor de schatting in aanmerking genomen functies, ook werkelijk geschikt zijn te achten voor de betrokken verzekerde. De bezwaarverzekeringsarts heeft hiervoor ook uitdrukkelijk aandacht gevraagd.

4.4.3 Van belang is uiteindelijk steeds of voor de betrokken verzekerde, voor eventuele rechtshulpverleners maar ook voor de rechter, de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voldoende inzichtelijk en toetsbaar is. De Raad sluit niet op voorhand uit dat in voorkomende gevallen waarin gebruik is gemaakt van een (k)FML met in toelichtingen verborgen beperkingen, (toch) aan deze eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid kan zijn voldaan. Ter aanvullende motivering zal dan evenwel een afzonderlijk overzicht onontbeerlijk zijn van alle zich voordoende in toelichtingen opgenomen beperkingen, voorzien van een toereikende toelichting per belastingonderdeel waarom de betreffende functies toch als passend kunnen worden aangemerkt.

4.5.1 In dit geval is in hoger beroep de in 4.4.3 bedoelde toelichting gegeven. Deze toelichting acht de Raad echter onvoldoende. Op zich zelf kan de Raad de bezwaararbeidsdeskundige volgen dat een belangrijk deel van de hier van belang zijnde activiteiten met de rechterarm kunnen worden gedaan. De samensteller metaalwaren produceert per uur 25 tafels van bijna 7 kg. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige worden deze tafels 30 maal per uur getild en kan betrokkene dit gewicht met haar rechterarm tillen. De bezwaararbeidsdeskundige gaat er daarbij niet alleen zonder nadere motivering aan voorbij dat aldus de belasting op de rechterarm aanzienlijk groter is dan die van een tweehandige bij het verrichten van dergelijke werkzaamheden wordt gevergd, ook acht de Raad onvoldoende toegelicht in hoeverre daarbij de betreffende tafels voor betrokkene (nagenoeg) eenhandig, in de gevergde frequentie zijn te hanteren.

4.5.2 Het vervallen van de functie van samensteller metaalwaren heeft gevolgen voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Het bestreden besluit acht de Raad daarom niet deugdelijk is gemotiveerd, in verband waarmee dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb in rechte geen stand kan houden.

4.6 De aangevallen uitspraak komt, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat het Uwv zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

4.7 De Raad zal het Uwv veroordelen in de kosten van het hoger beroep, wegens de aan betrokkene verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- en vanwege de op verzoek van betrokkene verrichte expertise € 324,92 (4 uur á € 81,23), tezamen € 968,92.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verstaat dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van het geding ad € 968,92, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkkene;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 105,- aan haar vergoedt;

Bepaalt voorts dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht wordt geheven van € 422,-.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) S. Sweep.

JL