Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06/3800 WAO, 06/3803 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhoging WAO-uitkering. Verkorte wachttijd? Toename arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak? Causaal verband tussen klachten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3800 WAO + 06/3803 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

Op de hoger beroepen van:

A. [Appellant] (hierna: appellant) en

B. [Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 juni 2006, nrs. 05/3386, 05/3389, 05/4354 en 05/4355 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. K. Herder, kantoorgenote van de gemachtigde van appellanten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R.M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar van 11 oktober 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 20 december 2004, waarbij het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 29 november 2004 onder toepassing van artikel 39a van de WAO heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 29 november 2004 alsnog vastgesteld op

45 tot 55%.

1.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen gericht tegen het besluit op bezwaar van 11 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de toename van de arbeidsongeschiktheid van appellant niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellant met ingang van 1 augustus 2002 een WAO-uitkering genoot.

1.3. Namens appellanten is in hoger beroep aangevoerd dat de eerder per 1 augustus 2002 vastgestelde arbeidsongeschiktheid mede door rugklachten werd veroorzaakt zodat wel degelijk sprake is van dezelfde ziekteoorzaak. Daarnaast is appellant ernstiger beperkt dan waarvan het Uwv is uitgegaan en is het Uwv ten onrechte aan de psychische beperkingen van appellant voorbij gegaan. Ten slotte zijn appellanten van mening dat de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet voldoende is toegelicht.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Appellant is op 4 augustus 2001 uitgevallen voor zijn werk als lakker/controleur bij [appellante] vanwege een verwonding aan de linker voet door een bedrijfsongeval met een vorkheftruck. Blijkens de rapportage algemeen van

L.O. Enuica, verzekeringsarts bij het Uwv, gedateerd 24 mei 2002, is appellant medisch beperkt geacht vanwege voetklachten. Uit informatie van de huisarts en van de behandelend sector blijkt dat bij appellant voorafgaand aan 1 augustus 2002 al wel sprake was van rugklachten.

2.2. Naar aanleiding van de aanvraag verhoging/vervroegde toekenning uitkering van 27 mei 2004 in verband met toegenomen rugklachten vanaf 1 december 2003, heeft verzekeringsarts M. Pool appellant onderzocht en op 14 oktober 2004 gerapporteerd dat de toename van de medische beperkingen voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, te weten een eenzijdige belasting van de rug bij een ander bewegingspatroon. Er is niet sprake van een direct ongevalsgevolg. De vanaf juli 2004 bestaande psychische klachten vinden volgens deze arts hun oorzaak in een mislukte reïntegratie bij werkgever [appellante], hetgeen niet een direct ongevalsgevolg is, aldus Pool.

2.3. In zijn rapport van 17 mei 2005 concludeert bezwaarverzekeringsarts J.W.H.J. Verzijden dat wel ernstiger medische beperkingen moeten worden aangenomen - resulterend in een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst - maar dat van dezelfde ziekteoorzaak geen sprake is.

3.1. Uit de jurisprudentie van de Raad (o.a. uitspraak van 31 januari 2006 LJN: AV0804 en 7 september 2007 BB4029) blijkt dat toepassing van de (verkorte) wachttijd van vier weken ingevolge artikel 39a, eerste lid, van de WAO slechts dan niet aan de orde is als buiten twijfel staat dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is. Dit betekent in dit geval dat buiten twijfel moet staan dat de voetklachten niet (mede) de oorzaak vormen van (het daadwerkelijk ontstaan van) de toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant.

3.2. Uit het dossier is de Raad gebleken dat verzekeringsarts Pool overleg heeft gehad met bedrijfsarts Akcay, die meedeelde dat de (rug)klachten door een vanwege het bedrijfsongeval veranderd bewegingspatroon zijn ontstaan en dat derhalve sprake is van een indirect gevolg van een ongeval.

3.3. Nu ook naar de mening van het Uwv de toename van de medische beperkingen voortvloeien uit een eenzijdige belasting van de rug bij een ander bewegingspatroon na het bedrijfsongeval, terwijl niet weersproken is dat dit veranderd bewegingspatroon in verband staat met de bestaande voetklachten, is de Raad van oordeel dat sprake is van een voldoende causaal verband om artikel 39a, eerste lid, van de WAO van toepassing te achten. Dat al langer sprake was van rugklachten die bovendien in de tijd langzaam progressief geoordeeld werden, betekent dan ook niet dat buiten twijfel staat dat sprake is van een andere ziekteoorzaak.

3.4. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep doelt treft en dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de beroepen gericht tegen het bestreden besluit ongegrond zijn verklaard, moet worden vernietigd.

3.5. Het Uwv zal opnieuw op de bezwaren gericht tegen het besluit van 20 december 2004 moeten beslissen met inachtneming van het voorgaande. De Raad merkt op dat het Uwv dat niet kan doen dan na een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling per 29 december 2003.

3.6. Het verzoek van appellanten om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door het besluit van 20 december 2004 geleden renteschade. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.

3.7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1288,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep (beroepschriften 2 punten; verschijnen ter zitting van de rechtbank 2 punten; hoger beroepschriften 2 punten; verschijnen ter zitting van de Raad 2 punten; wegingsfactor 1; samenhangende zaken 0,5 punt) hetgeen resulteert in een proceskostenvergoeding van € 644,- voor appellanten afzonderlijk, onder aftrek van de door de rechtbank uitgesproken vergoeding van € 80,50 voor hen afzonderlijk.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin de beroepen tegen het besluit op bezwaar van 11 oktober 2005 ongegrond zijn verklaard;

Verklaart de beroepen tegen het besluit op bezwaar van 11 oktober 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 563,50 voor elk van de beide appellanten afzonderlijk, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut aan appellanten het betaalde griffierecht van € 39,- respectievelijk € 285,- in beroep, alsmede € 105,- respectievelijk € 422,- in hoger beroep, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

CVG