Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
07-1520 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-uitkering. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1520 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2007, 04/1815 AOW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.W. van der Ent, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellant is met ingang van oktober 1998 ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Het pensioen is berekend op basis van het normbedrag voor een alleenstaande. Vanwege de Svb is een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader is op 17 februari 2003 door een buitendienst medewerker een bezoek gebracht aan de woning op het door appellant opgegeven adres in Australië, waarvan een ongedateerd rapport is opgemaakt. De buitendienstmedewerker heeft tijdens het huisbezoek met appellant en [K.] (hierna: [K.]) gesproken en in samenspraak met hen het formulier ‘Joint Household Investigation Form’ (hierna: checklist) ingevuld dat vervolgens door appellant en [K.] is ondertekend. De resultaten van het onderzoek zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 21 oktober 2003 het ouderdomspensioen met ingang van oktober 1998 te herzien en te berekenen op basis van het normbedrag voor een gehuwde. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [K.].

Bij besluit van 13 april 2004 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 21 oktober 2003 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld.

Bij besluit 5 augustus 2004 heeft de Svb het besluit van 13 april 2004 ingetrokken, het besluit van 21 oktober 2003 herroepen en besloten het pensioen van appellant met ingang van augustus 2000 te berekenen op basis van het normbedrag voor gehuwden, met ingang van april 2001 op basis van de norm voor een alleenstaande en met ingang van april 2002 wederom op basis van de norm voor een gehuwde. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant van augustus 2000 tot en met 26 april 2001 en vanaf 29 maart 2002 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [K.].

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 april 2004 mede gericht geacht tegen het besluit van 5 augustus 2004 en - zo begrijpt de Raad de aangevallen uitspraak - het beroep tegen het besluit van 13 april 2004 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2004 ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad staat in dit geding voor beantwoording van de vraag of appellant van augustus 2000 tot en met 26 april 2001 en vanaf 29 maart 2002 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [K.].

Artikel 1, vierde lid, van de AOW bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Appellant betwist niet dat hij ten tijde hier van belang in dezelfde woning woonde als [K.]. Daarmee is gegeven dat aan het criterium van het hoofdverblijf in dezelfde woning is voldaan. Anders dan appellant aanvoert staat daaraan niet in de weg dat [K.] eigenaresse van de betreffende woning was, de verantwoordelijkheid voor de lasten van woning droeg en alle beslissingen ten aanzien van de woning nam en appellant daar geen enkele inspraak in had.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging.

Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van de Svb dat aan het criterium van wederzijdse verzorging is voldaan. Ook de Raad hecht daarbij met name betekenis aan de van het huisbezoek van 17 februari 2003 opgemaakte rapportage en de door appellant en [K.] ondertekende checklist. Daaruit blijkt onder meer dat [K.] aan appellant gratis onderdak verschafte, dat appellant in ruil daarvoor het huis en de buitenboel op orde hield, dat de kosten van levensonderhoud werden gedeeld, dat appellant en [K.] samen de huisdieren verzorgden, de maaltijden meestal gezamenlijk gebruikten, soms gezamenlijk familiebezoek ontvingen en af en toe samen op vakantie gingen. De schriftelijke verklaringen van [K.], [V.] , [N.] en [B.], die appellant in hoger beroep heeft overgelegd leiden de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de verklaring van eerstgenoemde blijkt dat zij ziet op de periode vanaf 2005 die niet ter beoordeling voorligt en dat uit de door de anderen afgelegde verklaringen niet blijkt op welke periode zij betrekking hebben.

Appellant heeft in hoger beroep zijn grief herhaald dat de rapportage van het huisbezoek en de door appellant en [K.] ondertekende checklist op tal van punten onjuistheden bevatten. Met de rechtbank verwerpt de Raad deze grief. Naar vaste rechtspraak gaat de Raad in het algemeen uit van de juistheid van een in het kader van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie door een belanghebbende afgelegde en door hem ondertekende verklaring en kent hij weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken of wijzigen van een dergelijke verklaring. De Raad heeft in dit geval - ook in hetgeen in dit verband in hoger beroep naar voren is gebracht - onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt dient te worden gemaakt.

Het voorgaande leidt de Raad evenals de rechtbank tot de conclusie dat appellant ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Dat appellant de situatie waarin hij en [K.] verkeerden niet als samenwoning beschouwde leidt niet tot een andere conclusie, aangezien voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding doorslaggevend is of is voldaan aan de in artikel 1, vierde lid, van de AOW vermelde voorwaarden en niet hoe de betrokkenen zelf hun woon- en leefsituatie waarderen. Ook de door appellant gestelde omstandigheid dat [C.], kennelijk in het kader van de toepassing van de regeling op grond waarvan [K.] een invaliditeitspensioen ontving, appellant en [K.] heeft beschouwd als alleenstaanden leidt niet tot een ander oordeel. Een en ander brengt mee dat de Svb op grond van artikel 17, eerste lid, van de AOW was gehouden het ouderdomspensioen van appellant over de periode vanaf augustus 2000 tot en met maart 2001 en vanaf april 2002 te herzien en te berekenen op basis van de norm voor gehuwden. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van herziening kan worden afgezien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AR