Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
07-1536 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leefvorm. Gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1536 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 februari 2007, 06/2036 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Groen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 27 juli 1989 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Volgens zijn opgave woonde hij aan het adres [adres] te [woonplaats].

Naar aanleiding van het bij het College gerezen vermoeden dat appellant op het adres [adres 2] te [woonplaats] samenwoont met [A.] (hierna: [A.]), heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn in de periode van 16 november 2004 tot en met 25 november 2004 observaties verricht, zijn op 25 augustus 2005 onaangekondigde huisbezoeken gebracht aan de woningen aan de [adres 2] en de [adres], zijn appellant en [A.] gehoord en hebben enkele buren in de omgeving van het laatstgenoemde adres een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 25 november 2004 en 25 juni 2005 (lees: 25 augustus 2005). De conclusie van het onderzoek was dat appellant, zonder daarvan aan het College mededeling te doen, met [A.] op haar adres een gezamenlijke huishouding voert.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 4 oktober 2005 met toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2005 te beëindigen (lees: in te trekken) op de grond dat appellant sedert geruime tijd een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote en die samenwoning heeft verzwegen.

Bij besluit van 16 februari 2006 heeft het College het tegen het besluit van 4 oktober 2005 gemaakte bezwaar met toepassing van artikel 11 in verbinding met artikel 17 van de WWB ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe geoordeeld dat appellant zijn hoofdverblijf niet op het bij het College bekende adres [adres] heeft maar bij [A.] woont op het adres [adres 2]. Door daarvan geen mededeling te doen aan het College heeft appellant zijn informatieverplichting geschonden waardoor niet kan worden vastgesteld of hij recht op bijstand heeft.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 februari 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft in het bijzonder betoogd dat hij als gevolg van hartklachten, in verband waarmee hij in mei 2005 is geopereerd, tijdelijk zijn intrek op het adres [adres 2] had genomen. Omdat het slechts om een tijdelijk verblijf elders ging, hoefde hij daarvan aan het College geen mededeling te doen en is dus van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 september 2005 tot en met 4 oktober 2005.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de huishouding dan wel anderszins.

De Raad is met het College van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant en [A.] ten tijde in dit geding van belang hun hoofdverblijf in de woning van [A.] hadden. De Raad hecht daarbij bijzondere betekenis aan de in november 2004 verrichte observaties alsmede de bevindingen bij de huisbezoeken op 25 augustus 2005, op welke datum appellant en [A.] blijkens het door de Afdeling Bijzonder Onderzoek op 25 augustus 2005 opgemaakte rapport overigens beiden hebben verklaard dat appellant bij [A.] woont. Hetgeen appellant daar tegenover heeft gesteld, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Dit betekent dat aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de WWB is voldaan.

In zijn uitspraak van 28 juni 2005, LJN AT8471, heeft de Raad, in algemene zin, overwogen dat indien het betrokken bestuursorgaan tot de conclusie komt dat wel sprake is van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning maar dat niet kan worden vastgesteld dat ook aan het tweede criterium van artikel 3, derde lid, van de WWB - dat van de wederzijdse zorg - is voldaan, het bestuursorgaan niet zonder meer tot intrekking of beëindiging van de bijstand mag overgaan op de grond dat als gevolg van het niet mededelen van het hoofdverblijf het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarmee zou immers in dergelijke gevallen aan het tweede wettelijke criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding feitelijk de betekenis komen te ontvallen. Mede gelet op de uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeiende onderzoeksplicht dient het bestuursorgaan de betrokkene in een dergelijk geval te confronteren met de vaststelling inzake het hoofdverblijf en hem in de gelegenheid te stellen (nader) te verklaren over de omstandigheden waaronder van dit hoofdverblijf sprake is. Alleen indien de betrokkene dan geen of geen toereikende inlichtingen verschaft, is het bestuursorgaan bevoegd over te gaan tot intrekking of beëindiging van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke omvang, recht op bijstand bestaat. Indien de betrokkene wel toereikende inlichtingen verschaft, kan het bestuursorgaan op grond daarvan (de omvang van) het recht op bijstand nader vaststellen, zodat niet (meer) kan worden gezegd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting omtrent het hoofdverblijf het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

In het voorliggende geval heeft het College, toen in bezwaar bleek dat appellant en [A.] niet met elkaar gehuwd zijn geweest, de intrekking van de bijstand gehandhaafd op de grond dat appellant en [A.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en dat, doordat appellant daarvan in strijd met zijn mededelingsverplichting aan het College geen mededeling heeft gedaan, zijn recht op bijstand niet is vast te stellen. Het College heeft appellant niet geconfronteerd met de vaststelling inzake het hoofdverblijf en hem niet in de gelegenheid gesteld nader te verklaren over de omstandigheden waaronder van dit hoofdverblijf sprake is. Gelet op het voorgaande kon het College onder die omstandigheden niet overgaan tot intrekking van de bijstand enkel op de grond dat als gevolg van het niet mededelen van het gezamenlijke hoofdverblijf het recht op bijstand vanaf 1 september 2005 niet kan worden vastgesteld.

Nu de rechtbank een en ander niet heeft onderkend, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 16 februari 2006 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb vernietigen.

De Raad acht het niet aannemelijk dat deze gebreken thans nog door het College kunnen worden hersteld. Daarom zal de Raad ter finale beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire intrekkingsbesluit van 4 oktober 2005 te herroepen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 februari 2006;

Herroept het besluit van 4 oktober 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AR