Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
07-946 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van (mede-)terugvordering van bijstand, welke destijds aan zijn moeder is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/946 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 januari 2007, 06/4807 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. Van Ham. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.M. Peusen, werkzaam bij de gemeente Ede.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 13 februari 2001 heeft het College - voor zover hier van belang - van de moeder van appellant de kosten van de haar over de periode van 1 november 1995 tot en met 30 september 2000 verleende bijstand tot een bedrag van fl. 123.372,58 teruggevorderd op de grond dat zij in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van appellant zonder daarvan melding te maken bij het College. Na bezwaar, beroep en hoger beroep heeft de Raad bij zijn uitspraak van 3 mei 2005, reg.nr. 03/1307 NABW, de rechtsgevolgen van de ter zake van intrekking en terugvordering genomen besluiten op bezwaar in stand gelaten.

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het College - alsnog - met toepassing van artikel 59, eerste lid, van de Wet werk en bijstand € 36.091,40 van appellant teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant tot 30 september 1998 als minderjarige deel uitmaakte van het gezin van zijn moeder, zodat de van 1 november 1995 tot en met (lees: tot) 30 september 1998 aan haar naar de norm voor een alleenstaande ouder verleende bijstand ook van hem kan worden teruggevorderd. Bij besluit van 19 juni 2006 heeft het College het tegen het besluit van 31 mei 2005 gemaakte bezwaar wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak van de rechtbank is geen hoger beroep ingesteld.

Op 11 juli 2006 heeft appellant aan het College verzocht terug te komen van het na bezwaar gehandhaafde besluit van 31 mei 2005. Dit verzoek heeft het College bij besluit van 7 augustus 2006 met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Daarbij heeft het College overwogen dat door appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht.

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft het College de tegen het besluit van 7 augustus 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 29 augustus 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd, dat inmiddels een dwangbevel is uitgebracht ter effectuering van het besluit van 31 mei 2005, dat dit besluit evident onjuist is, dat appellant redelijkerwijs niet hoefde te verwachten dat na een aanzienlijk tijdsverloop ook van hem nog een bedrag van € 36.091,40 zou worden teruggevorderd wegens destijds aan zijn moeder verleende gezinsbijstand en dat de zeer strikte uitleg van artikel 4:6 van de Awb voor de burger zo nadelig uitwerkt dat van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen sprake is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst vast dat het besluit van 31 mei 2005 in rechte onaantastbaar is geworden. Het in dit geding aan de orde zijnde verzoek van 11 juli 2006 strekt ertoe dat het College van dit eerdere besluit terugkomt.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat appellant ten tijde van de bijstandsverlening aan zijn moeder minderjarig was en dat hij destijds geen procespartij is geweest in de procedure met betrekking tot de intrekking en de terugvordering van de bijstand van zijn moeder geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden betreft als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De eerst in hoger beroep aangevoerde omstandigheid dat inmiddels beslag is gelegd op het inkomen van appellant ter effectuering van het terugvorderingsbesluit van 31 mei 2005 is weliswaar een nieuw feit maar, nog daargelaten dat dit destijds niet mede aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet van zodanige betekenis dat dit het College zou nopen terug te komen van het besluit van 31 mei 2005.

Het College was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met verwijzing naar het besluit van 31 mei 2005. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De Raad overweegt in dat verband, mede in het licht van de aangevoerde grieven, nog het volgende.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 4 december 2003, LJN AN9805) speelt, anders dan voorheen, de evidente of kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf in het kader van de vraag of een bestuursorgaan van een eerder genomen besluit dient terug te komen geen beslissende rol meer. De daarop gerichte grief treft derhalve geen doel.

De grief dat het niet honoreren van het verzoek om terug te komen van het besluit van 31 mei 2005 in feite in strijd komt met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Appellant is immers in de gelegenheid geweest destijds tijdig bezwaar aan te tekenen en het argument inzake het tijdsverloop in die procedure naar voren te brengen. Dat dit niet is gebeurd moet voor zijn rekening en risico worden gelaten. Een andersluidende opvatting zou zich niet verdragen met de - mede uit hoofde van de rechtszekerheid - dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarbij verdient nog opmerking dat een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar- of beroepschrift achterwege blijft indien de overschrijding van de geldende termijn niet aan een aan de indiener van het bezwaar- of beroepschrift te wijten omstandigheid is toe te rekenen.

De grief dat de zeer strikte uitleg die de bestuursrechter geeft aan artikel 4:6 van de Awb zodanig nadelig is voor de burger dat niet kan worden gesproken van een eerlijke procedure waarin een volledig, inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt, volgt de Raad niet. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (zie de uitspraak van 31 december 2007 LJN BC1729) heeft de wetgever met artikel 4:6 van de Awb de burger, die niet tijdig gebruik heeft gemaakt van de hem ten dienste staande rechtsmiddelen, de mogelijkheid gegeven om door het inbrengen van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) alsnog een heroverweging van het bestreden besluit te bewerkstelligen. Dat naar vaste rechtspraak van de Raad het begrip nova strikt wordt uitgelegd is geen omstandigheid die maakt dat de procedure bij de rechter niet voldoet aan de daaraan op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM te stellen eisen.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A. Badermann.

IJ