Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06-4127 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Eerst in hoger beroep toereikende arbeidskundige onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4127 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 juni 2006, 05/2742 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.

Bij brief van 9 januari 2007 heeft appellant een rapport van de registerarbeidsdeskundige E. Spanjers van 3 januari 2007 in het geding gebracht.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [L.] en

mr. G.A. Vermeijden. Betrokkene is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam als projectstoffeerder, toen hij per 24 september 2003 is uitgevallen met psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 22 december 2004 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 6 oktober 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 21 juli 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 december 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens gaf de rechtbank beslissingen omtrent vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit, maar was onder verwijzing naar haar uitspraak van 21 maart 2006 (LJN: AV6086) van oordeel dat appellant niet in alle opzichten had voldaan aan de in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN: AR4718) vastgestelde onvolkomenheden van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De kritiek van de rechtbank richtte zich op de aanpassing van dit systeem, voor zover dit de mogelijkheid bood dat de arbeidsdeskundige een als gevolg van die aanpassing door middel van een “M” zichtbaar gemaakte overschrijding van de belastbaarheid in een aantal gevallen kon veranderen in een “G”. Daarbij kon de arbeidsdeskundige alsdan zonder nadere motivering vaststellen dat de betreffende functie bleef binnen de mogelijkheden en beperkingen van de FML. Gelet hierop ontbeerde het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een deugdelijke arbeidskundige motivering, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellant, die aangaf dat het hoger beroep uitsluitend was gericht tegen het oordeel van de rechtbank inzake de arbeidskundige beoordeling inzake de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene, dit oordeel uitvoerig gemotiveerd bestreden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat het hoger beroep zich, gelet op de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971 e.v.) over het aangepaste CBBS-systeem en op de door de registerarbeidsdeskundige Spanjers in de onderhavige zaak in hoger beroep gegeven toelichting, beperkt tot het verzoek de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep zich beperkt tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en in het bijzonder tot de vraag of de medische geschiktheid van de functies voor betrokkene voldoende is gemotiveerd.

4.2. De Raad heeft, gelet op de gedingstukken en de ter terechtzitting gegeven toelichting, geen twijfel dat de geschiktheid van betrokkene voor de hem geduide functies (thans) voldoende door appellant is gemotiveerd. De Raad ziet geen aanknopingspunten op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de belasting in de geduide functies de mogelijkheden van betrokkene zou overschrijden.

4.3. Zoals appellant ter zitting heeft erkend is pas met het rapport van de registerarbeidsdeskundige Spanjers van 3 januari 2007, dus eerst in de fase van hoger beroep, een onderbouwing gegeven die voldoet aan de door de Raad in zijn eerder genoemde uitspraken gestelde eisen van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Dit moet leiden tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. Gelet echter op de in hoger beroep gegeven toelichting zal de Raad de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand laten.

5. Van aan de zijde van betrokkene in hoger beroep gevallen proceskosten die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij aan appellant de opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) T. Hoogenboom

(get. ) I.R.A. van Raaij.

JL