Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06-4367 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juiste medische en arbeidskundige grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4367 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2006, 05/2133 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2008. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van

10 augustus 2005 de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering zowel per 14 juni 2004 als per 1 maart 2005 heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant ondanks zijn medische beperkingen in staat is gedurende 40 uur per week werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidskundige geselecteerde functies te verrichten.

2. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat de uit ziekte of gebrek voor appellant voortvloeiende arbeidsbeperkingen in de door de verzekeringsarts opgestelde zogenaamde Functionele Mogelijkheden Lijst zijn onderschat.

2.1. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Zij stelde wel vast dat ten aanzien van de arbeidskundige grondslag het bestreden besluit ten tijde van het nemen daarvan niet was voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in de uitspraken van de Raad van

9 november 2004, onder meer met LJN-nummer AR4719.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dienaangaande tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Voorts heeft zij bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het bestreden besluit van het Uwv op een onjuiste medische en arbeidskundige grondslag berust. Zijn beperkingen zowel op psychisch gebied als met betrekking tot de schouderklachten, been- en rugklachten, hoofdpijn/epilepsieklachten en klachten voortvloeiend uit diabetes zijn groter dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv aangenomen.

3.1. Appellant is de mening toegedaan dat, mede op grond van de bevindingen van de door appellant geraadpleegde medisch adviseur Haak, een nader psychiatrisch onderzoek geïndiceerd was en nog steeds is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ook de Raad ziet onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de uit ziekte of gebrek voor appellant voortvloeiende arbeidsbeperkingen hebben onderschat.

4.2. De Raad kan de rechtbank eveneens volgen in haar onder 4.8 van de aangevallen uitspraak vastgelegde overwegingen dat de enkele omstandigheid dat de medisch adviseur Haak op grond van dossierstudie een van de verzekeringsartsen afwijkende inschatting heeft over de hoogte en aard van de vastgestelde beperkingen, nog geen aanleiding hoeft te vormen, voor de bezwaarverzekeringsarts om af te wijken van zijn eigen oordeel of, voor de Raad voor het doen instellen van een nader onderzoek door een medisch deskundige, zoals door appellant is verzocht.

4.3. Voorts heeft appellant ook in hoger beroep geen informatie overgelegd die de Raad aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen inzake zijn belastbaarheid. De Raad neemt in aanmerking dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van appellants klachten en met deze klachten ook rekening gehouden hebben bij het vaststellen van zijn functionele mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid.

4.4. Nu appellant uitsluitend de geschiktheid van de geduide functies heeft betwist, op de grond dat zijn functionele mogelijkheden zijn onderschat en dat laatste, naar uit het hiervoor overwogene volgt, door de Raad niet wordt onderschreven, berust de schatting ook te dien aanzien op een deugdelijke grondslag.

4.5. Gelet op het onder 4.1. tot en met 4.3. overwogene slaagt het hoger beroep niet.

4.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2008.

(get.) D.J. van de Vos.

(get.) S. Sweep.

CVG