Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3675

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06-6418 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering i.v.m. de beschikking over een vermogen dat boven het vrij te laten vermogen lag en betrokkene hiervan geen melding heeft gemaakt en daarover onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft verstrekt aan het College.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6418 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 september 2006, 06/143 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. Kuit. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst dat appellant naast de bij het College bekend zijnde rekening bij de Fortis bank ook nog beschikte over twee bankrekeningen bij de ABN AMRO bank - waarop per 31 december 2002 bedragen stonden van € 18.585,27 respectievelijk € 904,64 - heeft het College een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. Het College heeft uit de bevindingen van dat onderzoek de conclusie getrokken dat appellant op 31 december 2002 beschikte over een vermogen dat € 11.567,-- boven het vrij te laten vermogen lag, zodat hij geen recht op bijstand had. Tevens is geconstateerd dat appellant, door van genoemde bankrekeningen geen melding te maken, daarover onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft verstrekt aan het College.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 25 mei 2005 de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2003 tot en met 11 november 2003 te herzien (lees: in te trekken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.220,56 van hem terug te vorderen.

Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 november 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Niet in geding is dat (alleen) appellant houder is van de beide hiervoor genoemde rekeningen bij de ABN AMRO bank en dat daarop op 31 december 2002 bedragen stonden als hiervoor vermeld. Volgens vaste jurisprudentie rechtvaardigt een tegoed op een bankrekening op naam van een uitkeringsgerechtigde de vooronderstelling dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover deze de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan verkrijgen. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant hierin niet is geslaagd. Hij heeft weliswaar verklaard dat de bedragen op beide rekeningen aan zijn moeder toebehoren en dat dit geld afkomstig is uit een oude sok, doch die stelling is niet met objectieve gegevens onderbouwd. Bovendien kan uit de afschriften die zijn overgelegd worden afgeleid dat appellant degene was die gebruik maakte van de bankrekening. Appellant heeft gesteld dat dit in opdracht van zijn moeder gebeurde, maar dat blijkt nergens uit. In dat verband is nog van belang dat appellant volgens notariële akte gevolmachtigde was van zijn moeder, doch uitsluitend tezamen met zijn zuster als zodanig kon optreden. Daarvan is in het geval van de in geding zijnde rekeningen niet gebleken. Dat appellant het resterende tegoed in 2005 op een rekening van zijn moeder heeft gestort mag zo zijn, maar is op zichzelf niet van belang voor de hier te beoordelen periode.

Door bij het College geen melding te maken van deze bankrekeningen heeft appellant, naar in hoger beroep ook niet meer wordt betwist, de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Nu die schending ertoe heeft geleid dat aan appellant over de hier in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over die periode in te trekken en op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van het hiervoor vermelde bedrag over te gaan. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 20 maart 2007, LJN BA1292, stelt de Raad voorts vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn niet onredelijk te achten beleid inzake intrekking en terugvordering. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van het beleid had moeten beslissen.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ