Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
06-4648 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Plichtsverzuim. Excessief gebruik gemaakt van internet- en e-mailfaciliteiten van werkgever voor privé doeleinden.

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4648 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (Duitsland), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 juli 2006, 05/2040 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling [naam instelling] (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 22 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Franssen, advocaat te Winschoten. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A. Elgersma, advocaat te Groningen en J. de Boer, algemeen directeur van [naam instelling] te [vestigingsplaats].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is per 20 oktober 1997 aangesteld als hoofd administratie bij [naam instelling], een instelling op grond van de Wet sociale werkvoorziening. Nadien is de naam van deze functie gewijzigd in financieel manager. Na verloop van tijd is geconstateerd dat appellant enkele taken van de functie van financieel manager op onvoldoende wijze vervulde. Vervolgens zijn die taken aan anderen overgedragen en is appellant uiteindelijk naast zijn functie van financieel manager belast met werkzaamheden als inkoper.

1.2. Naar aanleiding van een melding van collega’s van appellant in april 2005 dat appellant excessief gebruik maakte van de internet- en e-mailfaciliteiten van [naam instelling] voor privé doeleinden, heeft een onderzoek plaatsgevonden. Uit dat onderzoek is het dagelijks bestuur gebleken dat appellant via zijn e-mailadres bij [naam instelling] verschillende berichten had verzonden en ontvangen die te maken hadden met de in- en verkoop van auto’s. Tevens is het dagelijks bestuur gebleken dat appellant op de computer van zijn werk veelvuldig internetsites had bezocht, die vrijwel alle betrekking hadden op de autohandel.

1.3. Op 29 april 2005 is appellant hiermee geconfronteerd en is hij erop gewezen dat het hem verboden was om tijdens werktijd voor privé doeleinden gebruik te maken van de door [naam instelling] ter beschikking gestelde internet- en e-mailfaciliteiten. Appellant heeft vervolgens toegezegd dat hij dit gedrag voortaan achterwege zou laten en alle links met betrekking tot de autohandel van zijn computer zou verwijderen.

1.4. Eind mei 2005 heeft [naam instelling] opnieuw onderzoek gedaan naar onder andere het internet- en e-mailgedrag van appellant. Daaruit is gebleken dat appellant nog steeds gebruik maakte van de door [naam instelling] beschikbaar gestelde internet- en e-mailfaciliteiten voor privé doeleinden. Naar aanleiding van de resultaten van dat onderzoek heeft er op

10 juni 2005 wederom een gesprek met appellant plaatsgevonden.

1.5. Overeenkomstig het op 15 juni 2005 kenbaar gemaakte voornemen, is aan appellant bij besluit van 29 juni 2005 met toepassing van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeids-voorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met ingang van 1 juli 2005 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Dit strafontslag is, na bezwaar van appellant, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 oktober 2005. Aan (de hand-having van) het ontslag is ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de bij [naam instelling] geldende regels met betrekking tot het internet- en e-mailgebruik, privé werkzaamheden tijdens diensttijd heeft verricht met gebruikmaking van de voorzieningen die appellant ten behoeve van zijn functievervulling ter beschikking zijn gesteld. Voorts heeft appellant volgens het dagelijks bestuur in strijd met artikel 15:1:6 van de CAR/UWO geen melding gemaakt van zijn nevenwerkzaamheden. Ten slotte is appellant verweten dat hij bij zijn sollicitatie naar de functie van hoofd administratie het dagelijks bestuur heeft misleid omtrent de door hem behaalde diploma’s.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voerde appellant sinds 1 november 1996 onder de naam “[naam groothandel]” een groothandel in, alsmede im- en export van gebruikte automobielen. Ter zitting heeft appellant aangegeven dat hij daarbij oude auto’s van het merk [merknaam] inkocht, liet restaureren en vervolgens weer verkocht.

3.2. De Raad is van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant tijdens werktijd werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van deze autohandel, met gebruikmaking van de hem door [naam instelling] ten behoeve van zijn functievervulling ter beschikking gestelde voorzieningen.

3.2.1. Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat appellant op zijn computer bij [naam instelling] een groot aantal internetsites op de favorietenpagina had ingevoerd die betrekking hadden op de autohandel. Voorts blijkt uit de overgelegde overzichten van het internetgebruik van appellant in de periode van eind mei tot begin juni 2005 dat hij herhaaldelijk tijdens diensttijd internetsites heeft bezocht verband houdende met zijn autohandel. Dat de door appellant daaraan bestede tijd in die periode van beperkte omvang was, zoals appellant heeft gesteld, doet, wat daar overigens van zij, naar het oordeel van de Raad aan de ernst daarvan niet af.

3.2.2. Voorts is de Raad van oordeel dat het dagelijks bestuur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zijn e-mailadres bij [naam instelling] heeft gebruikt als contactadres voor klanten van zijn autohandel. Zelfs tijdens zijn ziekteperiode in april 2005 heeft appellant zijn werkplek bezocht om de ontvangen e-mailberichten met betrekking tot zijn autohandel te lezen en nieuwe berichten te verzenden. Tevens is komen vast te staan dat appellant via zijn e-mailadres bij [naam instelling] heeft geboden op auto’s die geplaatst waren op de veilingsite E-bay.

Ook de door [naam instelling] beschikbaar gestelde telefax en telefoonnummers heeft appellant voor zijn autohandel gebruikt.

3.2.3. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant onmiskenbaar in strijd heeft gehandeld met de bij [naam instelling] geldende regels met betrekking tot internet- en e-mailgebruik. Daarin is bepaald dat de aan de werknemer van [naam instelling] verleende toegang tot het internet en het aan hem beschikbaar gestelde e-mailadres alleen bedoeld zijn voor zakelijke doeleinden. Appellant heeft ter zitting aangegeven dat hij met deze regels bekend was vanaf het moment dat hij bij [naam instelling] de beschikking heeft gekregen over internetfaciliteiten.

3.3. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant in strijd met artikel 15:1:6, eerste lid, van de CAR/UWO heeft nagelaten zijn activiteiten in het kader van de autohandel aan zijn werkgever te melden. Ingevolge dat artikel is de ambtenaar verplicht aan zijn werkgever opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.

3.3.1. Appellant heeft gesteld dat hij niet tot melding verplicht was omdat het om hobbymatig verrichte activiteiten ging en omdat deze activiteiten de belangen van de dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling, in geen enkel opzicht konden raken. De Raad volgt appellant niet in deze stelling.

Het feit dat appellant zijn activiteiten in de autohandel beschouwde als hobby doet er niet aan af, dat deze activiteiten werden verricht in het economisch verkeer en dat daarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel werd beoogd. Dat de winst uit deze autohandel beperkt bleef tot - naar eigen zeggen - hooguit € 7.500,- maakt dat niet anders. Appellant had naar het oordeel van de Raad zijn leidinggevende van die activiteiten op de hoogte moeten stellen, te meer nu hij deze activiteiten tijdens werktijd verrichtte en daarbij onder andere gebruik maakte van de door [naam instelling] beschikbaar gestelde internet- en e-mailfaciliteiten, waardoor deze activiteiten in de meest directe zin de belangen van de dienst raakten.

3.3.2. Appellant heeft nog aangevoerd dat hij in zijn sollicitatiebrief van 6 mei 1997 en in het gesprek van 10 juni 2005 met de algemeen directeur van [naam instelling] zijn handel in oude auto’s heeft gemeld.

De Raad stelt vast dat appellant in bedoelde sollicitatiebrief als hobby onder andere heeft vermeld: het restaureren van klassieke automobielen. Daarbij is niet aangegeven dat appellant deze auto’s ook in- en verkoopt en dat hij daartoe een eenmanszaak voerde, die ingeschreven was bij de Kamer van Koophandel. Dat appellant daarvan wel melding heeft gemaakt in het gesprek van 10 juni 2005 acht de Raad van geen belang, aangezien dat gesprek heeft plaatsgevonden in het kader van het onderzoek naar de inmiddels gerezen verdenkingen van het onderhavige plichtsverzuim van appellant.

3.4. Voorts heeft het dagelijks bestuur naar het oordeel van de Raad terecht meegewogen dat het gedrag dat in 2004 tot een schriftelijke berisping heeft geleid in een ander daglicht is komen te staan, nu bekend is geworden dat appellant zich bezighield met handel in auto’s. Appellant heeft toen immers aan een krachtens de Wsw werkzaam vrouwelijk personeelslid gevraagd met hem mee te gaan om een auto in het buitenland op te halen. Daardoor heeft hij niet alleen de privacy van die medewerkster geschonden en misbruik gemaakt van zijn ambtelijke positie, waarvoor hij destijds disciplinair is gestraft, maar tevens heeft hij daarmee, naar achteraf is gebleken, het belang van zijn privé activiteiten in zijn autohandel willen dienen.

3.5. Het dagelijks bestuur heeft voorts naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant tijdens zijn sollicitatie welbewust en in strijd met de waarheid het beeld heeft opgeroepen en in stand heeft gelaten dat hij voldeed aan de in de advertentietekst van de functie van hoofd administratie vermelde functie-eis van een afgeronde opleiding op HBO-niveau, zoals bijvoorbeeld HEAO-BE/ SPD I en II. In zijn sollicitatiebrief heeft appellant namelijk vermeld: “aan de hand van de door u gevraagde functie-eisen, mijn opleiding en werkervaring meen ik voor deze functie in aanmerking te komen” en in zijn daarbij gevoegde curriculum vitae stond vermeld: “opleiding: MBA en SPD”. Daardoor heeft appellant de suggestie gewekt dat hij die opleidingen niet alleen had gevolgd, maar ook met goed gevolg had afgerond. Ook tijdens het daarop volgend sollicitatiegesprek heeft appellant het dagelijks bestuur niet geïnformeerd over het ontbreken van de vereiste diploma’s. Daardoor heeft hij het door hem bewust opgeroepen, onjuiste beeld in stand gelaten. Dat het dagelijks bestuur het bezit van de vereiste diploma’s niet heeft gecontroleerd, pleit appellant niet vrij van het verstrekken van gegevens in strijd met de waarheid.

3.5.1. Dat appellant destijds met goed gevolg een assessment heeft afgelegd doet daaraan niet af. Daarbij zijn niet de voor de functie van hoofd administratie noodzakelijk geachte boekhoudkundige kennis en vaardigheden getoetst, omdat het dagelijks bestuur ervan uit was gegaan dat appellant over die kennis en vaardigheden beschikte, gezien de door hem aangegeven vooropleiding.

De Raad acht het niet onwaarschijnlijk dat door het ontbreken van de juiste diploma’s voor de functie van financieel manager appellant uiteindelijk niet in staat was bepaalde taken van die functie in voldoende mate en naar behoren te vervullen met als gevolg dat die hem werden ontnomen. Dit kan geleid hebben tot het bij appellant - naar zijn stelling - ontstane gevoel onvoldoende werk te hebben.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Nu niet is gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan appellant is toe te rekenen, heeft het dagelijks bestuur zich terecht bevoegd geacht een disciplinaire straf op te leggen. Met de rechtbank acht de Raad de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

3.6.1. De Raad heeft daarbij overwogen dat appellant in strijd heeft gehandeld met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid, waardoor het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate is geschaad en dat hij aldus aan het eigen aanzien en aan dat van [naam instelling] grote schade heeft toegebracht. De Raad acht verder van belang dat appellant als leidinggevende een voorbeeldfunctie had en tot taak had erop toe te zien dat zijn medewerkers zich hielden aan de verplichtingen die hij zelf in dit geval juist heeft geschonden. Gelet op de in het gesprek van 29 april 2005 aan appellant gegeven waarschuwing en de eerder opgelegde disciplinaire straf gold appellant bovendien als een gewaarschuwd man. Daaraan doet niet af dat appellant er niet tevoren op is gewezen dat plichtsverzuim als hier aan de orde tot onvoorwaardelijk strafontslag zou kunnen leiden.

3.6.2. Mede in aansluiting op wat hierover in 3.5.1 is overwogen, ziet de Raad in de door appellant aangevoerde omstandigheid dat als gevolg van het overdragen van bepaalde taken van zijn functie aan derden er onvoldoende werk voor hem resteerde om zijn arbeidstijd te vullen, geen rechtvaardiging voor het zonder uitdrukkelijke toestemming verrichten van activiteiten ten behoeve van zijn autohandel tijdens diensttijd.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.