Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3532

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07/1531 WWB, 07/1532 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Gezamenlijke huishouding te beoordelen aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 88 met annotatie van D.E. Bunschoten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1531 WWB

07/1532 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 maart 2007, 06/1572 en 06/1573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 20 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.E. van Uitert, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen van [V.] (hierna: [V.]) tegen de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, met reg.nr. 07/1631 ANW, en tegen het dagelijks bestuur, met reg.nr. 07/1632 WWB, plaatsgevonden op 8 april 2008, waar appellant is verschenen met bijstand van mr. Van Uitert en waar het dagelijks bestuur zich heeft laten vertegenwoordigen door F.P. Visser, werkzaam bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant, die volgens zijn opgave woonachtig was te [plaatsnaam] (gemeente [naam gemeente]), [adres 1], heeft met ingang van 15 juli 2004 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van de resultaten en bevindingen van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant, zoals neergelegd in het rapport van de sociale recherche van 20 december 2005, met bijlagen, is volgens het dagelijks bestuur gebleken dat appellant vanaf 1 februari 2005, zonder hiervan mededeling te doen, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [V.] in haar woning te [plaatsnaam 2] (gemeente [naam gemeente 2]), [adres 2]. Voorts heeft vanwege de Sociale verzekeringsbank een afzonderlijk onderzoek plaatsgevonden naar de woon- en leefsituatie van [V.], die vanaf 1 december 2002 een nabestaandenuitkering ontving ingevolge de Algemene nabestaandenwet. De resultaten en bevindingen van dat onderzoek zijn vervat in het rapport van de sociale recherche van 3 april 2006, met bijlagen, en zijn mede bij de beoordeling van de onderhavige zaak betrokken.

Bij besluit van 23 december 2005 heeft het dagelijks bestuur de aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 december 2005 beëindigd (lees: ingetrokken).

Bij besluit van 9 januari 2006, voor zover hier van belang, heeft het dagelijks bestuur de aan appellant verleende bijstand over de periode van 1 februari 2005 tot en met 30 november 2005 ingetrokken en de kosten van de over die periode aan appellant verleende bijstand tot een bedrag van € 9.985,91 van appellant teruggevorderd.

Bij besluiten van 24 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur onder meer de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 23 december 2005 en 9 januari 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 24 mei 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking over de periode van 1 februari 2005 tot en met 30 november 2005

Het dagelijks bestuur heeft aan de intrekking van de aan appellant verleende bijstand primair ten grondslag gelegd dat appellant met [V.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de gemeente [naam gemeente 2].

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 16 januari 2007, LJN AZ7234, brengt de vaststelling dat een persoon geen woonplaats heeft in de gemeente waar hij stelt recht op bijstand te hebben, mee dat de betrokkene reeds op die grond geen recht heeft op bijstand jegens die gemeente. In dat geval staat het niet aan het bijstandverlenende orgaan van die gemeente ter beoordeling of de betrokkene in de gemeente waar hij wel woonde een gezamenlijke huishouding voerde. Aangezien het dagelijks bestuur in dit geval het bijstandverlenend orgaan van de gemeente [naam gemeente] is, stond het aan het dagelijks bestuur in die hoedanigheid niet ter beoordeling of appellant een gezamenlijke huishouding voerde in de gemeente [naam gemeente 2]. Het feit dat het dagelijks bestuur ten tijde hier van belang eveneens het bijstandverlenend orgaan van de gemeente [naam gemeente 2] was, maakt dat niet anders. De Raad verwijst op dit punt nog naar zijn uitspraak van heden, reg.nr. 07/1652.

Het vorenstaande betekent dat de primaire grond van het desbetreffende besluit van 24 mei 2006 op een ondeugdelijke motivering berust en derhalve geen stand kan houden.

De subsidiaire grond waarop het dagelijks bestuur de intrekking van de bijstand over deze periode heeft doen berusten luidt dat appellant zijn woonplaats had buiten de gemeente [naam gemeente], zodat appellant, gelet op artikel 40, eerste lid, van de WWB, geen recht had op bijstand jegens het college van die gemeente. De Raad kan die grond wel onderschrijven en hij overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Naar het oordeel van de Raad biedt het rapport van de sociale recherche van 20 december 2005, bezien in samenhang met het in de zaak van [V.] uitgebrachte rapport vanwege de Sociale verzekeringsbank van 3 april 2006, voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant vanaf 1 februari 2005 niet zijn woonplaats had in de gemeente [naam gemeente].

Met name uit de verklaringen die [V.] en appellant op 19 december 2005 ten overstaan van de sociale recherche hebben afgelegd, bezien in samenhang met andere gegevens, zoals de verklaringen van (ex-)buurtbewoners van appellant en de cijfers omtrent het waterverbruik in de woning van appellant ten tijde hier van belang, komt genoegzaam naar voren dat appellant vanaf 1 februari 2005 zijn hoofdverblijf niet had in de gemeente [naam gemeente]. De vorengenoemde verklaringen en gegevens vinden bovendien ondersteuning in de volgende omstandigheden:

- de internetaansluiting van appellant is in december 2004 overgezet van zijn adres te [plaatsnaam] naar het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2];

- appellant heeft ten behoeve van zijn abonnement op de Leeuwarder Courant op 10 januari 2005 als adres van bezorging opgegeven [adres 2] te [plaatsnaam 2];

- vanaf februari 2005 heeft appellant ten behoeve van de betalingen via zijn rekening bij de SNS Bank eveneens van het adres van [V.] gebruik gemaakt.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB ten tijde in geding niet langer recht had op bijstand jegens het bijstandverlenend orgaan van de gemeente [naam gemeente].

Appellant heeft van het feit dat hij ten tijde hier van belang geen woonplaats had in de gemeente [naam gemeente] aan het dagelijks bestuur geen mededeling gedaan. Daarmee heeft appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Die schending heeft tot gevolg gehad dat aan appellant over de periode van 1 februari 2005 tot en met 30 november 2005 ten onrechte bijstand is verleend, zodat het dagelijks bestuur op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de bijstand over die periode in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De terugvordering

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de intrekking is overwogen volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het dagelijks bestuur bevoegd is de over de periode van 1 februari 2005 tot en met 30 november 2005 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.

Wat de uitoefening van zijn bevoegdheid tot terugvordering betreft begrijpt de Raad het ter zake geldende beleid van het dagelijks bestuur aldus dat in principe altijd wordt teruggevorderd, tenzij sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld, gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt vast dat het dagelijks bestuur in overeenstemming met het beleid heeft gehandeld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het dagelijks bestuur, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van zijn beleid had moeten afwijken.

De intrekking met ingang van 1 december 2005

De Raad stelt eerst vast dat de hier ter beoordeling voorliggende periode is beperkt tot het tijdvak van 1 december 2005 tot en met 13 december 2005. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant met ingang van 14 december 2005 niet meer in de gemeente [naam gemeente] woonde.

Het dagelijks bestuur heeft de intrekking van de bijstand per 1 december 2005 gebaseerd op de grond dat appellant zijn woonplaats niet had in de gemeente [naam gemeente], zodat appellant, gelet op artikel 40, eerste lid, van de WWB, ook toen geen recht had op bijstand jegens die gemeente. De Raad kan die grond onderschrijven en hij overweegt daartoe het volgende.

De Raad verwijst naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de intrekking over de periode van 1 februari 2005 tot en met 30 november 2005 is overwogen en stelt vast dat niet is gebleken dat de situatie van appellant op en na 1 december 2005 wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van zijn situatie in de daaraan voorafgaande periode.

In dit verband komt mede betekenis toe aan de bevindingen van de observaties die in de periode onmiddellijk voorafgaand aan 1 december 2005 hebben plaatsgevonden. Appellant is toen geen enkele maal gezien in of nabij de woning te [plaatsnaam]. Daarentegen is hij toen wel verschillende malen gesignaleerd in de woning van [V.] te [plaatsnaam 2], meestal in de avonduren.

Gelet op het voorgaande was het dagelijks bestuur bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 december 2005 in te trekken.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid van die bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken.

Slotoverwegingen

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA