Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3521

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07-2236 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2007:BA4645, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering, omdat niet de juiste/volledige informatie is verstrekt om de noodzaak van bijstandsverlening te kunnen vaststellen. Medewerking aan huisbezoek kon worden verlangd.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2236 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 maart 2007, 06/1995 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.M. Fens, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L.A. van Kan, kantoorgenoot van mr. Fens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar, werkzaam bij de gemeente Hoorn.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 19 december 2005 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Daarbij heeft zij aangegeven tijdelijk inwonend te zijn in de woning van [R.], die de hoofdbewoner is van de woning op het opgegeven adres [adres] te [woonplaats].

Bij brief van 22 december 2005 is appellante opgeroepen om in verband met haar aanvraag voor een gesprek op het stadhuis te verschijnen. Haar is verzocht een aantal gegevens over te leggen. Appellante heeft op 3 januari 2006 aan de oproep gehoor gegeven en hierbij de gevraagde gegevens overgelegd. Tijdens dit gesprek is appellante op de hoogte gebracht van het beleid dat een huisbezoek onderdeel is van de aanvraagprocedure. Appellante heeft aangegeven dat de hoofdbewoner hier, gelet op eerdere ervaringen met de sociale dienst, problemen mee heeft. Omtrent de woonsituatie heeft appellante verklaard dat er nog een derde bewoner is en dat zij met drie personen in één kamer slapen terwijl de andere slaapkamer bij de hoofdbewoner als studeerkamer/kantoor in gebruik is. Daarnaast heeft appellante verklaard dat de hoofdbewoner haar heeft onderhouden en dat zij hem verzorgt maar dat er geen sprake is van een relatie. Appellante is er op gewezen dat zij medewerking moet verlenen aan een huisbezoek teneinde de woonsituatie te kunnen vaststellen. Aansluitend aan dit gesprek is getracht een huisbezoek af te leggen maar er werd niemand aangetroffen.

Bij brief van 13 januari 2006 is appellante uitgenodigd om op 18 januari 2006 te verschijnen in verband met een vervolggesprek. Aan deze oproep heeft appellante wederom gehoor gegeven. Op 18 januari 2006 heeft appellante verklaard dat zij geen medewerking kan verlenen aan een huisbezoek, omdat de hoofdbewoner eerst een gesprek wil over zijn eigen omstandigheden. Aan appellante is meegedeeld dat de situatie van de hoofdbewoner er op dat moment niet toe doet, omdat zij een uitkering heeft aangevraagd voor een alleenstaande. Appellante heeft vervolgens een verklaring ondertekend waarin is vermeld dat zij geen medewerking kan verlenen aan een huisbezoek omdat de hoofdbewoner hieraan geen medewerking wenst te verlenen en dat zij op de hoogte is van de consequentie dat de aanvraag wordt afgewezen omdat de woonsituatie niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het College, voor zover in dit geding van belang, de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat zij niet de juiste en/of volledige informatie heeft verstrekt die nodig is om de noodzaak van bijstandsverlening te kunnen vaststellen.

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 7 februari 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 juni 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft hiertegen in hoger beroep aangevoerd dat, nu er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de door haar afgelegde verklaringen, er geen redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek. Daarnaast had de gevraagde informatie op een minder ingrijpende wijze kunnen worden verkregen door eerst de hoofdbewoner voor een gesprek uit te nodigen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

Artikel 53a, tweede lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

Indien de belanghebbende deze inlichtingen-/medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, be?indigd of ingetrokken.

Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval zodanige grond aanwezig was.

Het College heeft op grond van objectieve bevindingen die zijn neergelegd in het rapport van 2 februari 2006, redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van hetgeen appellante heeft verklaard omtrent haar woon- en leefsituatie. Daarbij neemt de Raad onder meer in aanmerking dat appellante met haar aanvraag kennelijk beoogde bijstand te krijgen naar de norm voor een alleenstaande terwijl op het opgegeven adres nog twee andere personen verbleven, de drie personen in één slaapkamer sliepen, zij door de hoofdbewoner werd onderhouden en zij hem verzorgt. Voorts is de Raad met het College van oordeel dat de verificatie niet op een voor appellante minder belastende manier dan via een huisbezoek kon geschieden. Het College heeft onder de gegeven omstandigheden van appellante daarom kunnen verlangen dat zij medewerking zou verlenen aan een af te leggen huisbezoek.

De stelling van appellante dat zij eerst aan een huisbezoek kon meewerken na een gesprek door de hoofdbewoner met de dienst over zijn eigen situatie maakt dit niet anders. De gestelde redenen acht de Raad niet van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van het College om de door appellante opgegeven woonsituatie te verifiëren zou moeten wijken. Daarbij ligt het in de risicosfeer van appellante indien een noodzakelijk huisbezoek op het door haar opgegeven woonadres niet mogelijk is. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante in haar weigering heeft volhard, nadat haar was meegedeeld dat deze weigering tot gevolg had dat de bijstand zou worden geweigerd.

Daarnaast kan de stelling van appellante dat het huisbezoek aanvankelijk alleen was ingegeven door het feit dat zij behoorde tot het zogenaamde risicoprofiel van kamerbewoner en dat eerst later andere redenen aan de noodzaak voor het afleggen van een huisbezoek ten grondslag zijn gelegd evenmin worden onderschreven, nu uit de gedingstukken voldoende naar voren komt dat het College van meet af aan, gelet op de door appellante aangegeven omstandigheden, een huisbezoek noodzakelijk heeft geacht teneinde de feitelijke woonsituatie van appellante te kunnen vaststellen.

De rechtbank is, zij het niet geheel op dezelfde gronden, ook tot de conclusie gekomen dat van appellante medewerking aan een huisbezoek kon worden verlangd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen.

Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking. Er is geen ruimte voor het toekennen van de verzochte schadevergoeding.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

AR