Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3520

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
06-4562 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4562 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 juni 2006, 05/2062 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Alphen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is werkzaam geweest als vertegenwoordiger. Per 19 augustus 2003 heeft hij zich ziek gemeld wegens nekklachten, geheugenstoornissen en concentratiestoornissen. Deze klachten bestonden al langere tijd en zijn ontstaan na een auto-ongeval in 1996.

Op 11 augustus 2004 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts in het kader van een beoordeling op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vervolgens heeft, op verzoek van de verzekeringsarts, de klinisch psycholoog/neuropsycholoog M.S.P. Vermeulen op 23 september 2004 en 7 oktober 2004 neuropsychologisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft voorts informatie ingewonnen bij de behandelend revalidatiearts M.A.H. Brouwers. Op 17 november 2004 heeft de verzekeringsarts gerapporteerd dat appellant beperkingen heeft op mentaal vlak. De voor appellant aangenomen beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige functies voor appellant geselecteerd. Op 30 november 2004 heeft de arbeidsdeskundige gerapporteerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% moet worden vastgesteld.

Bij besluit van 1 december 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 17 augustus 2004 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

In de bezwaarfase heeft appellant een brief overgelegd van zijn behandelend revalidatiearts Brouwer van 3 januari 2005 en een brief van zijn behandelend neuroloog W. van Pelt van 9 februari 2005. Op 8 juni 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts een rapport uitgebracht, waarin als conclusie is vermeld dat de medische beperkingen van appellant door de primaire verzekeringsarts niet zijn onderschat.

Op 10 juni 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige, na nader arbeidskundig onderzoek, gerapporteerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid 35 tot 45% bedraagt.

Bij besluit van 30 juni 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2004 ongegrond verklaard. Hierbij is aangegeven dat niet ten nadele van appellant op het besluit van 1 december 2004 wordt teruggekomen en dat de arbeidsongeschiktheidsklasse waarnaar de WAO-uitkering wordt berekend gehandhaafd blijft op 45 tot 55%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat het medisch onderzoek waarop het bestreden besluit berust voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen reden is om de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken. Voorts was de rechtbank van oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt kunnen worden geacht. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat was om de hem voorgehouden functies te vervullen. Ter ondersteuning van zijn hoger beroep heeft appellant onder meer een rapport ingebracht van de revalidatiearts C.G.M. Warmerdam en de GZ-psycholoog/neuropsycholoog dr. M.G.B.G. Blokhorst van 11 mei 2007.

In reactie hierop heeft het Uwv een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts ingebracht van 12 juli 2007 alsmede een brief van de klinisch psycholoog/neuropsycholoog Vermeulen van 9 juli 2007. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt als volgt.

De primaire verzekeringsarts heeft een eigen medisch onderzoek verricht, waarna een expertiseonderzoek door de klinisch psycholoog/neuropsycholoog Vermeulen heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de primaire verzekeringsarts informatie ingewonnen bij de behandelend revalidatiearts. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de bezwaarfase, mede aan de hand van de door appellant ingebrachte informatie van de behandelend neuroloog en de behandelend revalidatiearts, opnieuw de belastbaarheid van appellant bezien. De Raad is van oordeel dat het aldus verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest.

In het door de klinisch psycholoog/neuropsycholoog Vermeulen uitgebrachte rapport is vermeld dat bij onderzoek cognitieve stoornissen zijn geconstateerd, maar dat deze naar alle waarschijnlijkheid niet op cerebraal disfunctioneren berusten en dat het beeld vooral een gevolg is van een combinatie van inadequaat copinggedrag en conditionering. De verzekeringsarts heeft, na inwinning van informatie bij de behandelend revalidatiearts, aangenomen dat appellant is aangewezen op eenvoudige, gestructureerde werkzaamheden, die niet gepaard gaan met mentale inspanningen in ruime zin. In dit verband zijn diverse beperkingen aangenomen met betrekking tot persoonlijk en sociaal functioneren. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de bezwaarfase, onder verwijzing naar de informatie van de behandelend neuroloog, gerapporteerd dat op neurologisch vlak geen afwijkingen zijn gevonden en dat de medische beperkingen van appellant niet zijn onderschat. Tijdens de beroepsfase heeft appellant een brief ingebracht van de behandelend revalidatiearts Brouwer van 27 mei 2004. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 11 augustus 2005 aangegeven dat deze brief geen aanleiding geeft voor het aannemen van een urenbeperking. In het in hoger beroep ingebrachte rapport van de revalidatiearts Warmerdam en de GZ-psycholoog/neuropsycholoog Blokhorst van 11 mei 2007 is vermeld dat tijdens het in maart en april 2007 verrichte onderzoek sprake was van ernstige cognitieve stoornissen en dat doorverwijzing naar een neuroloog geïndiceerd is. In reactie op dit rapport heeft het Uwv onder meer de hiervoor vermelde brief van Vermeulen van 9 juli 2007 ingebracht, waarin is uiteengezet dat het rapport van Warmerdam en Blokhorst geen aanleiding geeft tot een ander standpunt. De bezwaarverzekeringsarts heeft, onder verwijzing naar deze brief, bij rapport van 12 juli 2007 aangegeven dat er geen reden is voor bijstelling van de vastgestelde belastbaarheid. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in de diverse rapporten afdoende gemotiveerd dat met de door appellant aangegeven klachten voldoende rekening is gehouden. Hierbij merkt de Raad op dat de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de doorverwijzing naar een neuroloog inmiddels heeft plaatsgevonden en dat dit geen nieuwe medische bevindingen heeft opgeleverd. Voorts wijst de Raad er nog op dat appellant op de in geding zijnde datum, 17 augustus 2004, zijn werkzaamheden in aangepaste vorm verrichtte voor 16 uur per week.

De geschiktheid van de aan appellant voorgehouden functies is in diverse rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige toegelicht, waaronder een rapport van 14 maart 2006. De Raad acht met deze rapporten voldoende onderbouwd dat de belasting in de desbetreffende functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. van der Vos.

JL