Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07-1100 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering op bruto basis? Schending inlichtingenverplichting? Overschrijding vermogensgrens. Dringende reden om af te zien van terugvordering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1100 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 januari 2007, 06/840 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 april 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het vermogen van appellante bij aanvang van de bijstandsverlening is daarbij vastgesteld op f 3.684,28.

Naar aanleiding van een melding van de belastingdienst dat appellante over het jaar 2003 rente heeft ontvangen over gelden op een bankrekening die niet bekend was bij het College, is door de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 24 februari 2005.

De resultaten van dat onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 4 mei 2005 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2005 te beëindigen (lees: in te trekken) op de grond dat het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

Vervolgens heeft het College bij besluit van 8 juni 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 april 2001 tot en met 31 december 2004 herzien (lees: ingetrokken). Voorts heeft het College de gemaakte kosten van de verleende bijstand tot een bedrag van € 43.691,05 van appellante teruggevorderd, waarbij deze over de periode van 1 april 2001 tot en met 31 december 2002 netto en over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 bruto zijn teruggevorderd.

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2005 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag, zo begrijpt de Raad, dat appellante, zonder daarvan aan het College melding te maken, gedurende de gehele periode heeft beschikt over een vermogen boven de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het College ten onrechte artikel 17 van de WWB en niet artikel 65 van de Algemene bijstandswet (Abw) aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante door het College niet op de hoogte te stellen van het bestaan van de op haar naam staande bankrekening de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan, gelet op het feit dat appellante niet alle gevraagde bankafschriften heeft verstrekt en de herkomst van de kasstortingen die in de periode van juli 2001 tot en met december 2001 hebben plaatsgevonden onduidelijk zijn gebleven, het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 december 2005 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 22 december 2005 in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat blijkens het verhandelde ter zitting niet meer in geding is dat appellante niet heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting door geen melding te maken van de op haar naam staande bankrekening en dat appellante gedurende de gehele periode in geding heeft beschikt over een vermogen dat boven het vrij te laten bescheiden vermogen is gebleven. Daarnaast is de intrekking niet langer in geding.

Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de over de periode van 1 april 2001 tot en met 31 december 2004 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. In dit verband overweegt de Raad, anders dan appellante stelt, aan die bevoegdheid niet afdoet dat geen rekening is gehouden met de periode waarover appellante had kunnen interen op haar spaartegoed. Volgens vaste rechtspraak is intering (achteraf) niet aan de orde indien sprake is van terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting ten aanzien van het voorhanden zijn van een voor de verlening van de bijstand relevant vermogen.

De Raad is voorts van oordeel dat het College in overeenstemming met het door de Raad niet onredelijk geachte beleid in beginsel kon besluiten tot volledige terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand. De Raad stelt verder vast dat het College in zoverre aan appellante tegemoet is gekomen dat de terugvordering over de periode van 1 april 2001 tot en met 31 december 2002 is beperkt tot het netto-bedrag van de verleende bijstand.

De stellingen van appellante dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en dat het geld op haar rekening was bedoeld als spaarpotje voor haar kinderen kunnen, wat daarvan ook zij, naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als dringende redenen in de zin van het beleid, zodat niet op die grond van terugvordering zou moeten worden afgezien. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin een grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht de terugvordering verder had moeten matigen, zoals door appellante verzocht.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover deze is aangevochten.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

AR