Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
06-2046 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na integrale herbeoordeling van de vervoersvoorzieningen: collectief vervoer in de vorm van een rolstoeltaxi. Aanscherping gemeentelijke beleid. De beëindiging van de verstrekking van de bruikleenauto en tot intrekking van de financiële tegemoetkoming van appellante berust niet op een redelijke afweging van belangen

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 218
RSV 2008, 268
ABkort 2008/293
USZ 2008/255
JB 2008/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2046 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 maart 2006, 05/3601 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)

Datum uitspraak: 21 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.F.T. de Bruijn-van der Vleuten, werkzaam bij HAB Hulp & Adviesbureau de Bruijn te Helmond, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 8 augustus 2007. Partijen zijn niet verschenen.

Vervolgens heeft de Raad geoordeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest in verband waarmee besloten is het onderzoek te heropenen.

Aan de Commissie zijn bij brief van 31 augustus 2007 vragen gesteld. Indien de beantwoording daartoe aanleiding zou geven is de Commissie in de gelegenheid gesteld een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

De Commissie heeft de vragen bij brief van 15 oktober 2007 beantwoord.

De meervoudige kamer heeft de verdere behandeling van de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 16 april 2008. Partijen - de Commissie met bericht - zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.1. Appellante, geboren in 1970, ondervindt tengevolge van een progressieve neurologische aandoening (HMSN 3) o.a. mobiliteits- en ademhalingsproblemen. Zij is rolstoelgebonden en bewoont een Focuswoning. Appellante werkte ten tijde in geding 12 uur per week in WSW-verband. Zij is coach van een rolstoelhockeyteam en heeft een uitgebreide vervoerbehoefte.

1.2.2. Aan appellante is bij besluit van 27 januari 1997 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningengehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto verstrekt, alsmede een financiële tegemoetkoming voor het gebruik ervan. Aan die verstrekking lag mede het standpunt ten grondslag dat appellante geen gebruik kon maken van het collectief vervoer in verband met incontinentie en longproblemen.

1.2.3. De auto wordt gereden door de moeder van appellante. Vaak gaat haar verstandelijk gehandicapte zusje mee.

1.3.1. Appellante heeft in april 2005 een aanvraag ingediend voor aanpassing van de rugleuning van de aan haar verstrekte elektrische rolstoel.

1.3.2. De directeur Sociale Zaken van de gemeente Breda heeft de Stichting SAP bij brief van 6 april 2005 naar aanleiding van deze aanvraag verzocht om een integrale herbeoordeling van de vervoersvoorzieningen van appellante.

1.3.2. De arts en sociaal-medisch adviseur E.P.F. Klootwijk, verbonden aan de Stichting SAP, heeft bij rapport van 13 april 2005 verslag gedaan van zijn bevindingen en conclusies. Deze arts is onder meer tot de slotsom gekomen dat - afgezet tegen het huidige beleid van de gemeente Breda - er geen medische redenen zijn waarom appellante geen gebruik zou kunnen maken van collectief vervoer in de vorm van een rolstoeltaxi.

1.4. De Commissie heeft dit advies tot het hare gemaakt en appellante bij brief van 3 mei 2005 mededeling gedaan van het ambtshalve genomen besluit om de bruikleenovereenkomst voor de auto met ingang van 1 juli 2005 te beëindigen en om de financiële tegemoetkoming voor vervoer met ingang van 1 juli 2005 in te trekken. De Commissie stelt zich op het standpunt dat appellante gebruik kan maken van het collectief vervoer, omdat niet meer gerookt wordt in de deeltaxi en omdat er beter incontinentiemateriaal op de markt is gekomen.

2.1. Namens appellante heeft mr. V. Noldes, werkzaam bij de Stichting Ombudsman te Hilversum, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 mei 2005. Appellante bestrijdt dat zij medisch in staat is om gebruik te maken van de deeltaxi. Verder voert zij aan dat zij door het besluit beperkt wordt in haar sociale leven. Verzocht is om vergoeding van de proceskosten.

2.2. De Commissie heeft het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2005 bij besluit van 29 augustus 2005, verzonden op 5 september 2005, ongegrond verklaard. De Commissie stelt zich op het standpunt dat appellante medisch in staat moet worden geacht om gebruik te maken van het collectief vervoer. Wel is - in zoverre in afwijking van het besluit van 3 mei 2005 - een redelijke overgangstermijn gegund tot 1 januari 2006. Tot die datum wordt de financiële tegemoetkoming gecontinueerd. Voorts wordt appellante tot 1 januari 2006 de gelegenheid geboden om de bruikleenauto tegen dagwaarde over te nemen.

3.1. Appellant heeft tegen het besluit van 29 augustus 2005 beroep ingesteld.

3.2. De Commissie heeft gepersisteerd bij haar in het besluit van 29 augustus 2005 neergelegde standpunt.

3.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 augustus 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het advies van de arts Klootwijk op zorgvuldig onderzoek berust en vastgesteld dat appellante geen medische stukken heeft ingebracht waaruit blijkt dat zij geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. Dat het besluit tot een zekere mate van bestaansverschraling leidt acht zij in het kader van de Wvg niet doorslaggevend. Bij de toepassing van die wet gaat het immers om de beoordeling of met de aangeboden vervoersvoorziening - de deeltaxi - in aanvaardbare mate kan worden deelgenomen aan het leven van alledag in de directe woonomgeving. Het bovenregionale vervoer behoort in het kader van de Wvg niet tot de zorgplicht van de gemeentebesturen, behoudens in geval van dreigende vereenzaming of sociaal isolement, waarvan in het geval van appellante naar haar oordeel geen sprake is. De rechtbank heeft het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel verworpen op de grond dat mogelijk de verstrekking van een bruikleenauto aan andere gehandicapten nog niet is beëindigd, maar dat het, zoals de gemachtigde van de Commissie ter zitting van de rechtbank heeft meegedeeld, niet uitgesloten is dat ook die verstrekkingen aan een herbeoordeling zullen worden onderworpen.

4.1. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd komt in essentie overeen met hetgeen bij de rechtbank naar voren is gebracht. Appellante heeft onder meer aangevoerd dat de bruikleenauto van vijf andere gehandicapten in de gemeente Breda niet is ingenomen.

4.2. De Commissie heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 29 augustus 2005 neergelegde standpunt. Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de Commissie verklaard dat ten tijde in de gemeente Breda ten tijde in geding zes gehandicapten gebruik maakten van vijf bruikleenauto’s. Een bruikleenauto werd namelijk verstrekt aan twee gehandicapte gezinsleden. Ter zake van het aangescherpte beleid met betrekking tot de verstrekking van bruikleenauto’s heeft de gemeente geen afzonderlijke periodieke heronderzoeken uitgevoerd, omdat zij de gehandicapten daarmee niet extra wil belasten. De praktijk leert dat er sprake is van een frequent contact tussen de gehandicapten en de gemeente, zodat de verstrekte bruikleenauto’s binnen een kort tijdsbestek worden herbeoordeeld. Het is vaste praktijk van de gemeente Breda dat als gehandicapten een nieuwe aanvraag indienen, de bestaande voorzieningensituatie integraal wordt beoordeeld. In het kader van deze vaste praktijk hebben in vier gevallen herbeoordelingen plaatsgevonden: in januari 2006, maart 2006, november 2006 en december 2006. Na deze beoordelingen, in het kader waarvan ook adviezen zijn ingewonnen, is geoordeeld dat deze gehandicapten, gelet op hun omstandigheden, geen gebruik konden maken van de deeltaxi. Daarom kan het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel volgens de Commissie niet slagen.

4.3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.4.1. De Raad is van oordeel dat de grief van appellante dat zij geen gebruik kan maken van het collectief vervoer geen doel kan treffen. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank hierover en maakt deze tot de zijne.

4.4.2. Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt het volgende overwogen. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat de Commissie op enig moment haar beleid met betrekking tot de verstrekking van bruikleenauto’s is gaan aanscherpen. Hij heeft tevens moeten vaststellen dat de Commissie als vaste gedragslijn aanhoudt dat de datum waarop het aangescherpte beleid wordt geëffectueerd afhankelijk is van het moment waarop de desbetreffende gehandicapte een aanvraag indient voor een voorziening ingevolge de Wvg. Dusdoende wordt het moment van effectuering van het aangescherpte beleid afhankelijk gesteld van een onzekere toevallige gebeurtenis die door de gehandicapte zelf wordt bepaald. Daarmee is gegeven dat het moment van effectuering van het aangescherpte beleid in de tijd gemeten - en naar zich in de praktijk ook heeft gemanifesteerd - sterk uiteen kan lopen. De Raad is van oordeel dat het daardoor veroorzaakte aanzienlijke verschil in behandeling van gehandicapten (aan wie een bruikleenauto is verstrekt, c.q. een tegemoetkoming voor vervoer is verstrekt) niet kan worden gerechtvaardigd door de wens om de in aanmerking komende gehandicapten niet extra te belasten met heronderzoeken, omdat de gevolgen van het honoreren van die wens disproportioneel zijn in verhouding tot het daarmee gediende doel.

4.5. De Raad is, gelet op hetgeen overwogen is onder 4.4.2, van oordeel dat het besluit tot beëindiging van de verstrekking van de bruikleenauto en tot intrekking van de financiële tegemoetkoming van appellante niet op een redelijke afweging van belangen, als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) berust. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het besluit van 29 augustus 2005 en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd wegens strijd met de wet. De Raad zal zelf in de zaak voorzien, als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb en bepalen dat het besluit van 3 mei 2005 wordt herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding om de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Deze worden voor rechtsbijstand begroot op € 322,-- in bezwaar en € 322,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 augustus 2005;

Herroept het besluit van 3 mei 2005;

Veroordeelt de Commissie tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--, te betalen door de gemeente Breda;

Bepaalt dat de gemeente Breda het door appellante in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) M. Pijper.