Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3513

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07-3364 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AAW-uitkering toe te kennen. Onvoldoende gemotiveerde medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3364 AAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 mei 2007, 05/216 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. de Wolf, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Door de Raad desverzocht heeft de door de rechtbank als deskundige geraadpleegde psychiater B.J. van Eyk te ’s-Hertogenbosch bij brief van 25 januari 2008 een toelichting verstrekt op het door hem aan de rechtbank bij rapport van 5 juli 2006 uitgebrachte advies.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008, waar appellant is verschenen bij zijn opvolgend gemachtigde mr. R. Niemyjski, advocaat te Ouderkerk aan den Amstel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft vanaf 1970 – met onderbrekingen – als zelfstandige gewerkt.

Op 20 juli 1994 is appellant gedetineerd. Op 1 juli 1997 heeft appellant een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd in verband met bij hem sedert december 1994 bestaande psychische klachten.

1.2. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 28 oktober 2004 heeft het Uwv, na vernietiging door de rechtbank ’s-Gravenhage en de rechtbank Utrecht van eerdere op bezwaar genomen besluiten, het in primo genomen besluit van 24 december 1998 gehandhaafd. Daarbij is besloten dat appellant met ingang van

14 december 1995 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de AAW, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken, minder dan 25% bedroeg.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat tussen partijen in overwegende mate verschil van opvatting bestaat over de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid. Om die reden heeft de rechtbank aan de in rubriek I genoemde psychiater

Van Eyk advies gevraagd of de gezondheidstoestand van appellant met ingang van 14 december 1995 zodanig was dat het ten behoeve van appellant opgestelde belastbaarheidspatroon van 22 oktober 1997 van toepassing kon worden geacht.

Bij rapport van 5 juli 2006 heeft de deskundige Van Eyk advies uitgebracht. Daaromtrent heeft de rechtbank overwogen dat de deskundige zich kan verenigen met het belastbaarheidspatroon van 22 oktober 1997 en appellant in staat acht de werkzaamheden behorend bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten. Op grond hiervan is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellant per 14 december 1995 niet arbeidsongeschikt is.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank niet tot dit oordeel had kunnen komen, omdat het advies van de deskundige Van Eyk innerlijk tegenstrijdig is. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat de deskundige enerzijds in de beantwoording van de aan hem gerichte vraagstelling vermeldt dat hij appellant volledig arbeidsongeschikt acht, maar anderzijds tevens vermeldt dat hij zich kan verenigen met de vaststelling van de belastbaarheid door de verzekeringsarts en appellant in staat acht de werkzaamheden verbonden aan de geselecteerde functies te verrichten.

3.2. Naar aanleiding hiervan heeft de Raad de deskundige Van Eyk verzocht zijn conclusies nader toe te lichten. Daaraan is bij brief van 25 januari 2008 voldaan.

De deskundige heeft in deze brief zijn beantwoording van de vraagstelling van de rechtbank als volgt geherformuleerd:

“Geen arbeidsongeschiktheid op 14 december 1995, en daarna, op gronden van ziekte of gebrek.”

Ter toelichting heeft de deskundige vermeld dat de heftigheid van het beeld wordt gekleurd door de persoonlijkheidskenmerken en dat hij kan instemmen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, omdat sprake is van arbeidsongeschiktheid als reactievorm, welke niet als ziekte of gebrek is te duiden.

4.1.1. De Raad ziet in deze nadere toelichting van de deskundige onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de door appellant in hoger beroep gesignaleerde en ook door de Raad onderkende tegenstrijdigheid in het advies van de deskundige opgeheven is. Uit het rapport 22 oktober 1997 van de verzekeringsarts R. Bhaggoe in samenhang met zijn rapport van 27 januari 1998 komt immers naar voren dat hij vanwege de psychische klachten van appellant medische beperkingen bij hem ten tijde in geding heeft aanvaard en deze heeft vastgelegd in een zogeheten FIS-scoreformulier ag/ad van 22 oktober 1997. De door de verzekeringsarts aanvaarde beperkingen in de belastbaarheid van appellant berusten derhalve op medische gronden. Daarmee verdraagt zich, zonder nadere toelichting, niet dat de deskundige enerzijds van oordeel is dat op die datum geen arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek aanwezig is en anderzijds dat hij met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid kan instemmen.

4.1.2. Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend kan het advies van de deskundige Van Eyk, als toegelicht in hoger beroep, niet aan de rechterlijke oordeelsvorming ten grondslag worden gelegd.

4.2. De Raad overweegt voorts als volgt.

4.2.1. Aan het bestreden besluit zijn met betrekking tot de medische component de rapporten van 14 november 2002 en 13 mei 2004 van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser ten grondslag gelegd. Hieraan valt te ontlenen dat zij kennis heeft genomen van de in ruime mate voorhanden zijnde gegevens van medische en andere aard omtrent de (gezondheids)situatie van appellant tijdens zijn detentie. In haar rapport vermeldt de bezwaarverzekeringsarts als diagnose dat in juli/augustus 1995 bij appellant sprake was van een depressie in engere zin, met stemmingsincongruente psychotische kenmerken. Voorts had appellant last van een hoge bloeddruk (wisselend). Deze diagnose is kennelijk ontleend aan het rapport van 25 mei 1998 van de zenuwarts C.J.F. Kemperman en de klinisch psycholoog H. Scharft, dat aan de bezwaarverzekeringsarts ter beschikking stond en waarin deze diagnose wordt vermeld. Voorts vermeldt de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport dat ondanks de forse psychische klachten, c.q. forse psychische problematiek van appellant hij kennelijk in staat is geweest om adequaat als gedetineerde te functioneren. Daaraan heeft de bezwaarverzekeringsarts ontleend dat bij appellant nauwelijks sprake was van beperkingen in het functioneren en dat de door de verzekeringsarts Bhaggoe aanvaarde beperkingen in de belastbaarheid van appellant per 14 december 1995 geldig kunnen worden geacht.

4.2.2. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts hierin niet volgen. De omstandigheden waaronder gedetineerden verkeren zijn niet te vergelijken met de omstandigheden van diegenen die niet in die situatie verkeren. Aan het functioneren van appellant als gedetineerde zijn om die reden niet zonder meer conclusies te ontlenen voor de aanwezigheid c.q. afwezigheid van psychische beperkingen en het vermogen om met inachtneming daarvan overigens ook geschikte werkzaamheden te verrichten. Uit het FIS-scoreformulier ag/ad van 22 oktober 1997 blijkt dat de verzekeringsarts Bhaggoe beperkingen heeft aanvaard op de items conflicterende functie-eisen (licht) en conflicthantering (matig). Overige psychische beperkingen heeft de verzekeringsarts niet aanwezig geacht. Deze beperkingen zijn gesteld zonder dat de verzekeringsarts kennis droeg van het nadien uitgebrachte en door de bezwaarverzekeringsarts kennelijk als juist aanvaarde rapport van 25 mei 1998 van de zenuwarts Kemperman. Gelet op de ernst van de door deze zenuwarts gestelde diagnose en de onderschrijving daarvan door de bezwaarverzekeringsarts Visser voor de situatie ten tijde hier in geding, alsmede de hiervoor door de Raad als onvoldoende aangemerkte onderbouwing van de juistheid van de psychische beperkingen door deze bezwaarverzekeringsarts, is de Raad van oordeel dat sprake is van een onvoldoende gemotiveerde medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting.

5. Het bestreden besluit komt om die reden met de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

SSw