Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3510

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07-2478 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet ontvankelijk verklaard? Terecht geen verder uitstel verleend voor het indienen van de gronden in afwachting van uitslag tweetal expertises? Bijzonder geval? Gelijkheidsbeginsel?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2478 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2007, 06/5704 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.L. van Santen, werkzaam bij LetselPro B.V. te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Santen. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De enkelvoudige kamer van de Raad heeft vervolgens besloten de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer van de Raad.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die laatstelijk werd berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Bij besluit van 27 juni 2006 is deze uitkering herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Op 7 augustus 2006 is namens appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is verzocht om minimaal enkele weken uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar. Bij brief van

9 augustus 2006 heeft het Uwv de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en vier weken uitstel verleend voor het indienen van de gronden. Bij brief van 18 augustus 2006 heeft het Uwv wederom vier weken uitstel verleend voor het indienen van de gronden van het bezwaar en voorts aangegeven dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer de gemachtigde niet tijdig reageert. Bij brief van 22 augustus 2006 heeft de gemachtigde van appellante verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden totdat de uitslag bekend is van een tweetal ten aanzien van appellante te verrichten expertises. Bij brief van 23 augustus 2006 heeft het Uwv de gemachtigde van appellante meegedeeld dat geen verder uitstel wordt verleend. Er zijn geen gronden ingediend. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2006 (bestreden besluit) het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de bevindingen van de onafhankelijke deskundigen bepalend zouden zijn voor het formuleren van de bezwaargronden. De verwachting was dat die expertises binnen afzienbare tijd zouden worden verricht. Appellante acht onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat ook zonder die expertises gronden van het bezwaar konden worden ingediend. Voorts beroept appellante zich op schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat in een vergelijkbare zaak die ook door haar gemachtigde werd behandeld, wel uitstel is verleend in verband met te verwachten expertises.

3.2. In zijn (aanvullend) verweerschrift heeft het Uwv de betekenis van de ter zake geldende bepalingen van het Reglement behandeling bezwaarschriften Uwv van 20 december 2005 (hierna: Reglement) en het Protocol bezwaar van Uwv, versie

29 juni 2005, (hierna: Protocol) en bijlage 1 bij het Protocol (hierna: bijlage 1) nader toegelicht. Het Uwv is van oordeel dat in de brief van 22 augustus 2006 van de gemachtigde van appellante geen valide reden als vermeld in bijlage 1 aan de orde is, omdat de gemachtigde in de verzuimperiode tot en met 15 september 2006 reeds een of meerdere bezwaargronden had kunnen indienen en later in de bezwaarprocedure, in ieder geval tot en met de hoorzitting, alsnog de eventueel ontvangen expertises had kunnen overleggen. Van een overmachtsituatie of een bijzonder geval is volgens het Uwv geen sprake. Ten aanzien van het beroep van appellante op strijd met het gelijkheidsbeginsel stelt het Uwv zich op het standpunt dat uit de door de gemachtigde ingezonden brief van 4 mei 2006 niet blijkt om welk ander individueel geval het gaat, zodat vergelijking niet mogelijk is, terwijl met name ook niet blijkt dat het om een uitstel van verzuimherstel zou gaan, maar eerder om een verdaging van het besluit op bezwaar.

4.1. Ingevolge artikel 6:5, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt, onder meer, dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2. Artikel 4, eerste lid, van het Reglement bepaalt, onder meer, dat als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de wet de indiener in de gelegenheid wordt gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Ingevolge het tweede lid kan bij overschrijding van deze termijn het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.3. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Reglement krijgt de indiener, als hij verzoekt om uitstel van de gronden van het bezwaar, hiertoe vier weken de gelegenheid.

4.4. Blijkens het Protocol wordt de verzuimtermijn van vier weken in beginsel niet verlengd, wordt de indiener van het bezwaarschrift uitdrukkelijk gewezen op de consequenties van overschrijding van de verzuimtermijn en wordt aangegeven dat overschrijding van de verzuimtermijn in beginsel leidt tot een niet-ontvankelijk verklaring.

4.5. In bijlage 1 bij het Protocol worden onder A.3 als uitzonderingen op de niet-ontvankelijkverklaring vermeldt een uitstelverzoek met valide redenen, een uitstelverzoek op grond van overmacht en een uitstelverzoek op grond van een bijzonder geval.

5.1. De Raad is van oordeel dat vorenvermeld beleid in overeenstemming is met een redelijke beleidsbepaling. Voorts acht de Raad de door het Uwv uitgesproken niet-ontvankelijkheid van het bezwaar rechtens aanvaardbaar. De Raad overweegt daartoe dat het verzoek om uitstel van de gemachtigde van appellante bij de brief van 23 augustus 2006 met niet mis te verstane bewoordingen is afgewezen. Het had op de weg van de gemachtigde gelegen om, indien verder uitstel dringend gewenst was, zijn verzoek nader te onderbouwen. Bovendien stond, naar het Uwv terecht heeft aangevoerd, niets eraan in de weg om voorlopige bezwaargronden in te dienen en zich daarbij het recht voor te behouden die gronden in een later stadium van de bezwarenprocedure nader te onderbouwen. Dat de gemachtigde om hem moverende redenen dit niet heeft willen doen, dient voor zijn rekening te blijven.

5.2. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan de Raad niet honoreren, nu naar het oordeel van de Raad geen sprake is van gelijke gevallen. In het door de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad nader toegelichte geval, waarop de brief van 4 mei 2006 betrekking heeft, is naar het Uwv terecht heeft gesteld sprake van een brief tot verdaging van het besluit op bezwaar en niet van een brief waarbij uitstel wordt verleend voor het indienen van de gronden van het bezwaar. Uit deze brief blijkt alleen dat het Uwv de gemachtigde in dat geval uitstel heeft verleend voor het indienen van expertises.

5.3. Hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

CVG