Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
06-4836 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Opleidingsniveau juist vastgesteld? Eerst in hoger beroep afdoende motivering gegeven van geschiktheid van de functies.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4836 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 juli 2006, 05/2031 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo-Blerick, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een rapport van 16 oktober 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjens.

Bij brief van 31 januari 2007 heeft het Uwv een rapport van 29 januari 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige A.G.W.P. van Gorp ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij besluit van 22 november 2005 zijn besluit van 30 juni 2005 heeft gehandhaafd. Daarbij is de aan appellant naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 31 augustus 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische advisering niet onzorgvuldig is te achten en dat de omstandigheid dat appellant in zijn bewegingen door het dragen van een polsbandage beperkt is, voldoende daarbij is meegewogen en tot het aannemen van voldoende vergaande medische beperkingen heeft geleid. Voorts heeft de rechtbank geen reden gehad om te concluderen dat de arbeidskundige beoordeling de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Daarop heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat hij met zijn toegenomen medische beperkingen niet in staat kan worden geacht de door de arbeidsdeskundige geduide functies te vervullen. Daarin moeten werkzaamheden met beide handen en armen worden verricht, hetgeen het risico in zich bergt dat de linkerpols van appellant wordt overbelast. Voorts heeft appellant doen aanvoeren dat een beperking had behoren te worden opgenomen voor lichte trillingen en dat zijn beperkingen voor dynamische handelingen te licht zijn ingeschat. Ook heeft appellant gesteld dat hij om medische redenen niet voltijds kan werken, zodat een urenbeperking op zijn plaats is. Voor zover de Raad niet aanstonds van oordeel zou zijn dat de medische arbeidsbeperkingen van appellant niet zijn onderschat, heeft hij verzocht om een medisch onderzoek door een door de Raad aan te wijzen deskundige.

3.2. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting heeft appellant doen aanvoeren dat een functie niet geschikt is, omdat hij daarvoor een interne opleiding moet volgen, waartoe hij vanwege zijn gebrekkige kennis in woord en geschrifte van de Nederlandse taal niet in staat is. Ook is de geschiktheid van deze functie op het aspect reiken onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast is aangevoerd dat de arbeidsdeskundige van het Uwv van een te hoog opleidingsniveau is uitgegaan, te weten niveau 2, terwijl appellant in Marokko slechts basisonderwijs heeft gevolgd met als vervolg de Koranschool.

3.3. Ten slotte heeft appellant zijn bij de rechtbank al aangevoerde beroepsgrond herhaald dat sprake is van een toename van de klachten uit dezelfde oorzaak en dat de uitspraak van de Raad van 28 juni 2005 (LJN AT9109) in het onderhavige geval een beletsel vormt om dan tot verlaging van de WAO-uitkering over te gaan.

4.1. De Raad onderschrijft ten aanzien van deze laatste beroepsgrond hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft geoordeeld en maakt dit oordeel tot het zijne. Daarbij wijst de Raad er nog op dat in de uitspraak van 28 juni 2005 het geval aan de orde was of herziening kan plaatsvinden als de medische belastbaarheid van betrokkene geen wijziging heeft ondervonden, welke vraag door de Raad bevestigend werd beantwoord. Waarom in een geval van toegenomen beperkingen in de belastbaarheid daarover anders moet worden geoordeeld vermag de Raad niet in te zien. Daarbij wijst de Raad erop dat een theoretische schatting nu eenmaal bestaat uit een medische en arbeidskundige beoordeling en dat niet valt uit te sluiten dat op arbeidskundige gronden, ondanks een toename van de medische beperkingen, tot een afname van de arbeidsongeschiktheid wordt geconcludeerd.

4.2. Voorts overweegt de Raad dat appellant zijn stellingen met betrekking tot zijn medische belastbaarheid niet met nadere medische gegevens heeft ondersteund. De Raad is niet kunnen blijken dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische component van de schatting niet gevolgd kan worden. Voor een medisch onderzoek door een deskundige ziet de Raad geen aanleiding, nu hij zich door de voorhanden zijnde medische gegevens voldoende voorgelicht acht.

4.3.1. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige Van Gorp in hoger beroep bij rapport van 29 januari 2007 de functie van inpakker (SBC-code 111190) heeft laten vervallen en daarvoor in de plaats de ook geduide functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) heeft gesteld. Daarmee is tevens het bezwaar van appellant tegen deze functie dat hij de daarvoor vereiste interne opleiding niet kan volgen en dat deze op het aspect reiken onvoldoende is gemotiveerd komen te vervallen.

4.3.2. De Raad acht door de bezwaararbeidsdeskundige Van Gorp voldoende toegelicht waarom het opleidingsniveau van appellant op niveau 2 is gesteld. Bij dit niveau hoort dat appellant moet kunnen lezen, schrijven en rekenen op eind basisschoolniveau. Een indicatie daarvoor is het volledig doorlopen van de basisschool en eventueel enkele jaren vervolgonderwijs zonder diploma, waaraan niet afdoet dat appellant zijn opleiding buiten Nederland heeft genoten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft er daarbij op gewezen dat appellant ook in staat is gebleken zijn rijbewijs te halen en dat hij in de periode 1990 tot 1995 in diverse productiefuncties en als steigerbouwer werkzaam is geweest en dat aan een arbeidskundig rapport van 5 maart 1996 valt te ontlenen dat appellant ook toen al Nederlands kon spreken en verstaan, zij het dat lezen moeizaam ging. Mede gelet op de sindsdien verstreken periode waarin appellant wisselend in Vienne (Frankrijk), waar zijn gezin woont, en in Nederland woonachtig is en zich van de Nederlandse taal derhalve heeft moeten blijven bedienen, is de Raad er niet van overtuigd kunnen raken dat het opleidingsniveau 2 voor appellant te hoog is vastgesteld.

4.4. Hoewel de functie van inpakker is komen te vervallen heeft dit blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Van Gorp geen gevolgen voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Dit standpunt is van de zijde van appellant ook niet bestreden.

De Raad heeft geen reden hieromtrent anders te oordelen.

5. Aldus komt de Raad tot het oordeel dat ook de arbeidskundige grondslag het bestreden besluit kan dragen. Nu evenwel eerst in hoger beroep door het Uwv een afdoende motivering is gegeven van de geschiktheid van de functies, waarbij een functie alsnog ongeschikt is geacht, ziet de Raad aanleiding het bestreden besluit met de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten, te vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

SSw