Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
06/2624 WAO, 06/2873 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. In hoger beroep alsnog op voldoende wijze toegelicht dat voorgehouden functies geschikt zijn.

;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2624 WAO en 06/2873 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 april 2006, 05/3742 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 9 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 maart 2008. Het Uwv noch betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit op bezwaar van 15 september 2005 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit tot intrekking van de WAO-uitkering van betrokkene per 15 juni 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 15 september 2005 gegrond verklaard, het arbeidskundige gedeelte van dat besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en het verzoek van betrokkene om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak zijn voorts beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht genomen.

De rechtbank is, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat hetgeen betrokkene heeft aangevoerd niet tot het oordeel leidt dat de medische grondslag van het besluit van 15 september 2005 gebreken vertoont. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit van 15 september 2005 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat deze

– wegens onvoldoende voorbereiding en motivering – ondeugdelijk is.

Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de medische grondslag van het besluit van 15 september 2005 geen gebreken vertoont.

Hetgeen betrokkene ter zake heeft aangevoerd vormt naar het oordeel van de Raad een herhaling van hetgeen door hem reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe relevante gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. De door betrokkene bij brief van 14 maart 2008 – zonder toelichting – ingezonden bescheiden van de huisarts bevatten geen relevante informatie die niet reeds bekend was. De rechtbank heeft de grieven van betrokkene afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

Dit onderdeel van het hoger beroep treft mitsdien geen doel.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het arbeidskundige gedeelte van het besluit van 15 september 2005 vernietigd. Zoals de Raad heeft geoordeeld in onder meer zijn uitspraak van 16 maart 2005 (LJN: AT1852) is de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet aan te merken als een zelfstandig deelbesluit en kan een besluit over een WAO-uitkering dan ook niet in zoverre worden vernietigd.

De aangevallen uitspraak kan dan ook niet in stand blijven.

Het Uwv bestrijdt niet langer dat, gelet op de inmiddels door de Raad gevormde jurisprudentie, zijn besluit van 15 september 2005 niet rechtmatig is en dat zijn hoger beroep niet tot gevolg kan hebben dat het besluit van 15 september 2005 in stand blijft.

Het Uwv verzoekt de Raad echter wel de rechtsgevolgen van het besluit van 15 september 2005 geheel in stand te laten, omdat met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 mei 2007 alsnog op voldoende wijze is toegelicht dat de aan betrokkene voorgehouden functies voor hem geschikt zijn.

De Raad deelt de opvatting van het Uwv. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 mei 2007 is op voldoende wijze inzichtelijk gemaakt dat de belasting in de aan aan de schatting ten grondslag gelegde functies van elektronicamonteur, productiemedewerker industrie en productiemedewerker confectie, zijn belastbaarheid niet overschrijdt.

De stellingen van betrokkene dat hij die functies niet kan vervullen, zijn gebaseerd op het niet door de Raad gedeelde uitgangspunt dat betrokkene meer is beperkt dan door het Uwv is aangenomen en slagen reeds daarom niet.

De grief van betrokkene dat het niveau van de functies te hoog is, slaagt evenmin. De functies vereisen geenszins een hoger opleidingsniveau dan betrokkene heeft. Niet uit het oog kan worden verloren dat betrokkene in de periode van 1973 tot 1980 technisch onderwijs in Algerije heeft gevolgd. Dat hij deze opleiding niet met een diploma heeft afgerond, leidt er – mede gelet op zijn werkervaring in Nederland – niet toe dat hij geen functies op VMBO-niveau zou aankunnen.

Nu de uitspraak van de Raad niet leidt tot enige nabetaling van uitkering aan betrokkene komt het verzoek van betrokkene om vergoeding van rente over zo’n nabetaling reeds hierom niet voor inwilliging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten in eerste aanleg is beslist;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 september 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM